Naar de inhoud

opjutten

kwaad en opgewonden maken

opjutten

werkwoord

Betekenis

  1. kwaad en opgewonden maken
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van opjutten

opjuttenhele werkwoord — jutte opverleden tijd enkelvoud — jutten opverleden tijd meervoud — opgejutvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik jut op jutte op
jij jut op jutte op
hij, zij, het jut op jutte op
wij jutten op jutten op
jullie jutten op jutten op
zij jutten op jutten op
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgejut impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgejut impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgejut impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgejut impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgejut worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgejut zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgejut worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgejut zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgejut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgejut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgejut voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgejut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgejut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgejut voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgejut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgejut actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
jut op gebiedende wijs
jutte op verleden tijd
op te jutten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen jutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal jutten bijzin, toekomende tijd
op zou jutten bijzin, voorwaardelijk
op zouden jutten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt jutten bijzin, voorwaardelijk
op zullen jutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen jutten bijzin, toekomende tijd
op zult jutten bijzin, toekomende tijd
opgejut verleden tijd, deelwoord
opgejut te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgejut te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgejut te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgejut te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgejut te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgejut worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgejut zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgejut zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgejut zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgejut zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opjut bijzin, tegenwoordige tijd
opjutte bijzin, verleden tijd
opjuttend onvoltooid, deelwoord
te hebben opgejut actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opjutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgejut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgejut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgejut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgejut voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgejut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgejut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgejut voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgejut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgejut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgejut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgejut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgejut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgejut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgejut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgejut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgejut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgejut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgejut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgejut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgejut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgejut hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgejut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgejut hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgejut zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgejut zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opjutten bijzin, toekomende tijd
zijn opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgejut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgejut hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgejut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgejut hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgejut zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgejut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgejut zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opjutten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opjutten op zou(dt) jutten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgejut hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgejut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgejut hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgejut zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgejut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgejut zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opjutten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgejut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgejut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opjutten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgejut hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgejut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgejut hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgejut zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgejut zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgejut zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opjutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opjutten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opjutten bijzin, toekomende tijd
zult opgejut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgejut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgejut zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en jutten ww

Woordfamilie van opjutten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
jut op gebiedende wijs opjutten
jutte op verleden tijd opjutten
jutten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opjutten
opgejut voltooid deelwoord opjutten
opgejutte woordvorm opjutten
opjut subordinate-clause, tegenwoordige tijd opjutten
opjutte subordinate-clause, verleden tijd opjutten
opjuttend onvoltooid deelwoord opjutten
opjuttende woordvorm opjutten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opjutten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opjutten

Wat betekent opjutten?
Opjutten is een werkwoord. Het woord betekent: kwaad en opgewonden maken. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opjutten?
Je vervoegt opjutten als volgt: het voltooid deelwoord is opgejut. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opjutten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. J 4
  4. U 4
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opjutten levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. J 4
  4. U 2
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opjutten in het kort

opjutten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opjutten zijn 84 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opjutten bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opjutten: kwaad en opgewonden maken
Deel opjutten — standaardnederlands.nl