opjutten
werkwoordBetekenis
- kwaad en opgewonden maken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van opjutten
opjuttenhele werkwoord — jutte opverleden tijd enkelvoud — jutten opverleden tijd meervoud — opgejutvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | jut op | jutte op |
| jij | jut op | jutte op |
| hij, zij, het | jut op | jutte op |
| wij | jutten op | jutten op |
| jullie | jutten op | jutten op |
| zij | jutten op | jutten op |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgejut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgejut | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgejut | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgejut | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgejut worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgejut zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgejut worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgejut zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgejut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgejut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgejut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgejut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgejut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| jut op | gebiedende wijs |
| jutte op | verleden tijd |
| op te jutten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen jutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal jutten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou jutten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden jutten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt jutten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen jutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen jutten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult jutten | bijzin, toekomende tijd |
| opgejut | verleden tijd, deelwoord |
| opgejut te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgejut te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgejut te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgejut te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgejut te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgejut worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgejut zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgejut zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgejut zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgejut zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opjut | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opjutte | bijzin, verleden tijd |
| opjuttend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opgejut | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opjutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgejut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgejut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgejut | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgejut | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgejut | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgejut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgejut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgejut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgejut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgejut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgejut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgejut | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgejut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgejut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgejut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgejut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgejut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgejut | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgejut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgejut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgejut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgejut zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgejut zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opjutten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgejut | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgejut zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgejut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgejut zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opjutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opjutten op zou(dt) jutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgejut zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgejut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgejut zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opjutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgejut hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgejut zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opjutten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgejut hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgejut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgejut hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgejut zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgejut zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgejut zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opjutten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opjutten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opjutten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgejut hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgejut worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgejut zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en jutten ww
Woordfamilie van opjutten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jut op | gebiedende wijs | opjutten |
| jutte op | verleden tijd | opjutten |
| jutten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opjutten |
| opgejut | voltooid deelwoord | opjutten |
| opgejutte | woordvorm | opjutten |
| opjut | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opjutten |
| opjutte | subordinate-clause, verleden tijd | opjutten |
| opjuttend | onvoltooid deelwoord | opjutten |
| opjuttende | woordvorm | opjutten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opjutten zijn vastgelegd.