Naar de inhoud

ophopen

op elkaar stapelen

ophopen

werkwoord

Betekenis

  1. op elkaar stapelen
  2. zich ~: een proces ondergaan waarbij iets zich verzamelt

Vervoeging van ophopen

ophopenhele werkwoord — hoopte opverleden tijd enkelvoud — hoopten opverleden tijd meervoud — opgehooptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hoop op hoopte op
jij hoopt op hoopte op
hij, zij, het hoopt op hoopte op
wij hopen op hoopten op
jullie hopen op hoopten op
zij hopen op hoopten op
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgehoopt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgehoopt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgehoopt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgehoopt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgehoopt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgehoopt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgehoopt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgehoopt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgehoopt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgehoopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgehoopt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgehoopt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgehoopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgehoopt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgehoopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgehoopt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hoop op gebiedende wijs
hoop u/je op, hoopt je op gebiedende wijs
hoopte op verleden tijd
is opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te hopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen hopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal hopen bijzin, toekomende tijd
op zou hopen bijzin, voorwaardelijk
op zouden hopen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt hopen bijzin, voorwaardelijk
op zullen hopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen hopen bijzin, toekomende tijd
op zult hopen bijzin, toekomende tijd
opgehoopt verleden tijd, deelwoord
opgehoopt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgehoopt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgehoopt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehoopt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehoopt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehoopt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgehoopt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgehoopt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgehoopt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgehoopt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ophoop bijzin, tegenwoordige tijd
ophoopt bijzin, tegenwoordige tijd
ophoopte bijzin, verleden tijd
ophoopten bijzin, verleden tijd
ophopend onvoltooid, deelwoord
te hebben opgehoopt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ophopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgehoopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgehoopt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgehoopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgehoopt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgehoopt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgehoopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgehoopt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgehoopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me ophopen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal opgehoopt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehoopt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgehoopt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgehoopt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehoopt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ophopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ophopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ophopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ophopen bijzin, toekomende tijd
zal zich ophopen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je ophopen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich opgehoopt hebben verleden tijd
zich ophopend onvoltooid, deelwoord
zijn opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgehoopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgehoopt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehoopt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehoopt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehoopt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehoopt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehoopt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ophopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ophopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ophopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ophopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) ophopen op zou(dt) hopen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgehoopt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgehoopt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgehoopt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgehoopt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgehoopt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgehoopt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ophopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ophopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ophopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ophopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgehoopt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgehoopt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ophopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ophopen bijzin, voorwaardelijk
zullen je ophopen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons ophopen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen opgehoopt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgehoopt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgehoopt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgehoopt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgehoopt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van op en hopen

Woordfamilie van ophopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hoop op gebiedende wijs ophopen
hoopt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ophopen
hoopte op verleden tijd ophopen
hoopten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ophopen
hope op woordvorm ophopen
hopen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon ophopen
opgehoopt voltooid deelwoord ophopen
ophoop subordinate-clause, tegenwoordige tijd ophopen
ophoopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd ophopen
ophoopte subordinate-clause, verleden tijd ophopen
ophoopten subordinate-clause, verleden tijd ophopen
ophope with-subordinate-clause ophopen
ophopend onvoltooid deelwoord ophopen
ophopende woordvorm ophopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ophopen

Wat betekent ophopen?
Ophopen is een werkwoord. Het woord betekent: op elkaar stapelen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je ophopen?
Je vervoegt ophopen als volgt: het voltooid deelwoord is opgehoopt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ophopen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. H 4
  4. O 1
  5. P 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ophopen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 112 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. H 4
  4. O 1
  5. P 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 16 zonder bonus
  9. 112 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

ophopen telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

ophopen in het kort

ophopen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van ophopen zijn 99 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ophopen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ophopen: op elkaar stapelen
Deel ophopen — standaardnederlands.nl