ophopen
werkwoordBetekenis
- op elkaar stapelen
- zich ~: een proces ondergaan waarbij iets zich verzamelt
Vervoeging van ophopen
ophopenhele werkwoord — hoopte opverleden tijd enkelvoud — hoopten opverleden tijd meervoud — opgehooptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hoop op | hoopte op |
| jij | hoopt op | hoopte op |
| hij, zij, het | hoopt op | hoopte op |
| wij | hopen op | hoopten op |
| jullie | hopen op | hoopten op |
| zij | hopen op | hoopten op |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgehoopt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgehoopt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgehoopt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgehoopt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgehoopt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgehoopt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgehoopt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgehoopt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgehoopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgehoopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgehoopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgehoopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgehoopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgehoopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgehoopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehoopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hoop op | gebiedende wijs |
| hoop u/je op, hoopt je op | gebiedende wijs |
| hoopte op | verleden tijd |
| is opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te hopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen hopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal hopen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou hopen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden hopen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt hopen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen hopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen hopen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult hopen | bijzin, toekomende tijd |
| opgehoopt | verleden tijd, deelwoord |
| opgehoopt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehoopt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgehoopt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehoopt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehoopt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgehoopt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehoopt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgehoopt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehoopt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgehoopt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ophoop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophoopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ophoopte | bijzin, verleden tijd |
| ophoopten | bijzin, verleden tijd |
| ophopend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opgehoopt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ophopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgehoopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehoopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgehoopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgehoopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgehoopt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgehoopt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgehoopt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgehoopt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me ophopen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal opgehoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgehoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgehoopt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgehoopt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ophopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ophopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ophopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ophopen | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich ophopen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ophopen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich opgehoopt hebben | verleden tijd |
| zich ophopend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgehoopt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgehoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehoopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgehoopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgehoopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ophopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ophopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ophopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ophopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) ophopen op zou(dt) hopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgehoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgehoopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgehoopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgehoopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ophopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ophopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ophopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ophopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgehoopt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgehoopt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ophopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ophopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je ophopen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons ophopen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen opgehoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgehoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgehoopt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgehoopt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgehoopt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Herkomst
samenstelling van op en hopen
Woordfamilie van ophopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoop op | gebiedende wijs | ophopen |
| hoopt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ophopen |
| hoopte op | verleden tijd | ophopen |
| hoopten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ophopen |
| hope op | woordvorm | ophopen |
| hopen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ophopen |
| opgehoopt | voltooid deelwoord | ophopen |
| ophoop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophopen |
| ophoopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ophopen |
| ophoopte | subordinate-clause, verleden tijd | ophopen |
| ophoopten | subordinate-clause, verleden tijd | ophopen |
| ophope | with-subordinate-clause | ophopen |
| ophopend | onvoltooid deelwoord | ophopen |
| ophopende | woordvorm | ophopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophopen zijn vastgelegd.