opharken
werkwoordBetekenis
- met een hark op een hoop vegen
Vervoeging van opharken
opharkenhele werkwoord — harkte opverleden tijd enkelvoud — harkten opverleden tijd meervoud — opgeharktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hark op | harkte op |
| jij | harkt op | harkte op |
| hij, zij, het | harkt op | harkte op |
| wij | harken op | harkten op |
| jullie | harken op | harkten op |
| zij | harken op | harkten op |
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is opgeharkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeharkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeharkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeharkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeharkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeharkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeharkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeharkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeharkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeharkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeharkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeharkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeharkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeharkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeharkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hark op | gebiedende wijs |
| harkte op | verleden tijd |
| heb opgeharkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeharkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeharkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeharkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeharkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeharkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeharkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeharkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeharkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te harken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen harken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal harken | bijzin, toekomende tijd |
| op zou harken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden harken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt harken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen harken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen harken | bijzin, toekomende tijd |
| op zult harken | bijzin, toekomende tijd |
| opgeharkt | verleden tijd, deelwoord |
| opgeharkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeharkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeharkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeharkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeharkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeharkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeharkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeharkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeharkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeharkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ophark | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opharkend | onvoltooid, deelwoord |
| opharkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opharkte | bijzin, verleden tijd |
| opharkten | bijzin, verleden tijd |
| te hebben opgeharkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opharken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren opgeharkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeharkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeharkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden opgeharkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden opgeharkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeharkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeharkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeharkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeharkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeharkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeharkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opharken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeharkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou opgeharkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeharkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeharkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeharkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeharkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opharken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opharken op zou(dt) harken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeharkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeharkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeharkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeharkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeharkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opharken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeharkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opharken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeharkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeharkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeharkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeharkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeharkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opharken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opharken | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeharkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opharken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opharken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opharken op zult/zal harken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op bw en harken ww
Woordfamilie van opharken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hark op | gebiedende wijs | opharken |
| harke op | woordvorm | opharken |
| harken op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opharken |
| harkt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opharken |
| harkte op | verleden tijd | opharken |
| harkten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opharken |
| opgeharkt | voltooid deelwoord | opharken |
| opgeharkte | woordvorm | opharken |
| ophark | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opharken |
| opharke | with-subordinate-clause | opharken |
| opharkend | onvoltooid deelwoord | opharken |
| opharkende | woordvorm | opharken |
| opharkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opharken |
| opharkte | subordinate-clause, verleden tijd | opharken |
| opharkten | subordinate-clause, verleden tijd | opharken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opharken zijn vastgelegd.