Naar de inhoud

opharken

met een hark op een hoop vegen

opharken

werkwoord

Betekenis

  1. met een hark op een hoop vegen

Vervoeging van opharken

opharkenhele werkwoord — harkte opverleden tijd enkelvoud — harkten opverleden tijd meervoud — opgeharktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hark op harkte op
jij harkt op harkte op
hij, zij, het harkt op harkte op
wij harken op harkten op
jullie harken op harkten op
zij harken op harkten op
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is opgeharkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeharkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeharkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeharkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeharkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeharkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeharkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeharkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeharkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeharkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeharkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeharkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeharkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeharkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeharkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hark op gebiedende wijs
harkte op verleden tijd
heb opgeharkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeharkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeharkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeharkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeharkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeharkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeharkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeharkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeharkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te harken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen harken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal harken bijzin, toekomende tijd
op zou harken bijzin, voorwaardelijk
op zouden harken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt harken bijzin, voorwaardelijk
op zullen harken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen harken bijzin, toekomende tijd
op zult harken bijzin, toekomende tijd
opgeharkt verleden tijd, deelwoord
opgeharkt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeharkt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeharkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeharkt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeharkt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeharkt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeharkt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeharkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeharkt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeharkt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ophark bijzin, tegenwoordige tijd
opharkend onvoltooid, deelwoord
opharkt bijzin, tegenwoordige tijd
opharkte bijzin, verleden tijd
opharkten bijzin, verleden tijd
te hebben opgeharkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opharken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren opgeharkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeharkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeharkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden opgeharkt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden opgeharkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeharkt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeharkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeharkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeharkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeharkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeharkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opharken bijzin, toekomende tijd
zijn opgeharkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou opgeharkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeharkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeharkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeharkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeharkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opharken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opharken op zou(dt) harken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeharkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeharkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeharkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeharkt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeharkt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opharken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeharkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opharken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeharkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeharkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeharkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeharkt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeharkt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opharken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opharken bijzin, toekomende tijd
zult opgeharkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opharken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opharken bijzin, toekomende tijd
zult/zal opharken op zult/zal harken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en harken ww

Woordfamilie van opharken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hark op gebiedende wijs opharken
harke op woordvorm opharken
harken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opharken
harkt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opharken
harkte op verleden tijd opharken
harkten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opharken
opgeharkt voltooid deelwoord opharken
opgeharkte woordvorm opharken
ophark subordinate-clause, tegenwoordige tijd opharken
opharke with-subordinate-clause opharken
opharkend onvoltooid deelwoord opharken
opharkende woordvorm opharken
opharkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opharken
opharkte subordinate-clause, verleden tijd opharken
opharkten subordinate-clause, verleden tijd opharken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opharken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opharken

Wat betekent opharken?
Opharken is een werkwoord. Het woord betekent: met een hark op een hoop vegen.
Hoe vervoeg je opharken?
Je vervoegt opharken als volgt: het voltooid deelwoord is opgeharkt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opharken is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. H 4
  4. A 1
  5. R 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opharken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. H 4
  4. A 1
  5. R 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opharken in het kort

opharken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opharken zijn 78 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opharken bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opharken: met een hark op een hoop vegen
Deel opharken — standaardnederlands.nl