Naar de inhoud

ophangen

iets in een hangende positie bevestigen

ophangen

werkwoord /'ɔpɦɑŋə(n)/

Betekenis

  1. iets in een hangende positie bevestigen
  2. een telefoongesprek beëindigen
  3. aan de galg opknopen

Hoe spreek je ophangen uit?

/ˈɔphɑŋən/

Ophangen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔphɑŋən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
h hoed
ɑ bad
ŋ ding
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van ophangen

ophangenhele werkwoord — hing opverleden tijd enkelvoud — hingen opverleden tijd meervoud — opgehangenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hang op hing op
jij hangt op hing op
hij, zij, het hangt op hing op
wij hangen op hingen op
jullie hangen op hingen op
zij hangen op hingen op
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgehangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgehangen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgehangen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgehangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgehangen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgehangen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgehangen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgehangen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hang op gebiedende wijs
heb opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hing op verleden tijd
is opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te hangen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal hangen bijzin, toekomende tijd
op zou hangen bijzin, voorwaardelijk
op zouden hangen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt hangen bijzin, voorwaardelijk
op zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen hangen bijzin, toekomende tijd
op zult hangen bijzin, toekomende tijd
opgehangen verleden tijd, deelwoord
opgehangen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgehangen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgehangen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehangen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehangen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgehangen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgehangen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgehangen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgehangen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgehangen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ophang bijzin, tegenwoordige tijd
ophangend onvoltooid, deelwoord
ophangt bijzin, tegenwoordige tijd
ophing bijzin, verleden tijd
ophingen bijzin, verleden tijd
ophingt bijzin, verleden tijd
te hebben opgehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ophangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ophangen bijzin, toekomende tijd
zijn opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ophangen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) ophangen op zou(dt) hangen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ophangen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ophangen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ophangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ophangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ophangen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en hangen ww

Woordfamilie van ophangen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hang op gebiedende wijs ophangen
hange op woordvorm ophangen
hangen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon ophangen
hangt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ophangen
hing op verleden tijd ophangen
hingen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ophangen
opgehangen voltooid deelwoord ophangen
ophang subordinate-clause, tegenwoordige tijd ophangen
ophange with-subordinate-clause ophangen
ophangend onvoltooid deelwoord ophangen
ophangende woordvorm ophangen
ophangt subordinate-clause, tegenwoordige tijd ophangen
ophing subordinate-clause, verleden tijd ophangen
ophingen subordinate-clause, verleden tijd ophangen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ophangen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ophangen

Hoe spreek je ophangen uit?
De uitspraak van ophangen is: /'ɔpɦɑŋə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent ophangen?
Ophangen is een werkwoord. Het woord betekent: iets in een hangende positie bevestigen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je ophangen?
Je vervoegt ophangen als volgt: het voltooid deelwoord is opgehangen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ophangen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. H 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ophangen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. H 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ophangen in het kort

ophangen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van ophangen zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort ophangen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

ophangen: iets in een hangende positie bevestigen
Deel ophangen — standaardnederlands.nl