Naar de inhoud

opgieten

op iets gieten, met name om het te laten trekken of weken

opgieten

werkwoord

Betekenis

  1. op iets gieten, met name om het te laten trekken of weken

Vervoeging van opgieten

opgietenhele werkwoord — goot opverleden tijd enkelvoud — goten opverleden tijd meervoud — opgegotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik giet op goot op
jij giet op goot op
hij, zij, het giet op goot op
wij gieten op goten op
jullie gieten op goten op
zij gieten op goten op
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgegoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgegoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgegoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgegoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgegoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgegoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgegoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgegoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
giet op gebiedende wijs
goot op verleden tijd
had opgegoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgegoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgegoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgegoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgegoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgegoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgegoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgegoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te gieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen gieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal gieten bijzin, toekomende tijd
op zou gieten bijzin, voorwaardelijk
op zouden gieten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt gieten bijzin, voorwaardelijk
op zullen gieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen gieten bijzin, toekomende tijd
op zult gieten bijzin, toekomende tijd
opgegoten verleden tijd, deelwoord
opgegoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgegoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgegoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgegoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgegoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgegoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgegoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgegoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgegoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgegoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgiet bijzin, tegenwoordige tijd
opgietend onvoltooid, deelwoord
opgoot bijzin, verleden tijd
opgoten bijzin, verleden tijd
te hebben opgegoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opgieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgegoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgegoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgegoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgegoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgegoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgegoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgegoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgegoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgegoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgegoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgegoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgegoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgegoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgegoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgegoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgegoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgegoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgegoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgegoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgegoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgegoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgegoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgegoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgegoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgegoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opgieten bijzin, toekomende tijd
zijn opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgegoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgegoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgegoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgegoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgegoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgegoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgegoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opgieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opgieten op zou(dt) gieten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgegoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgegoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgegoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgegoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgegoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgegoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opgieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgegoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgegoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opgieten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgegoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgegoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgegoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgegoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgegoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgegoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opgieten bijzin, toekomende tijd
zult opgegoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgegoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en gieten

Woordfamilie van opgieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
giet op gebiedende wijs opgieten
giete op woordvorm opgieten
gieten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opgieten
goot op verleden tijd opgieten
goten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opgieten
opgegoten voltooid deelwoord opgieten
opgiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd opgieten
opgiete with-subordinate-clause opgieten
opgietend onvoltooid deelwoord opgieten
opgietende woordvorm opgieten
opgoot subordinate-clause, verleden tijd opgieten
opgoten subordinate-clause, verleden tijd opgieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opgieten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opgieten

Wat betekent opgieten?
Opgieten is een werkwoord. Het woord betekent: op iets gieten, met name om het te laten trekken of weken.
Hoe vervoeg je opgieten?
Je vervoegt opgieten als volgt: het voltooid deelwoord is opgegoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opgieten is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. G 3
  4. I 1
  5. E 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opgieten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. G 3
  4. I 2
  5. E 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opgieten in het kort

opgieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opgieten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opgieten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opgieten: op iets gieten, met name om het te laten trekken of weken
Deel opgieten — standaardnederlands.nl