Naar de inhoud

opgaan

oprijzen, omhooggaan

opgaan

werkwoord ˈɔpxan

Betekenis

  1. oprijzen, omhooggaan
  2. een succes zijn, juist blijken
  3. deel worden van een groter geheel en daarin niet meer als afzonderlijk element te onderscheiden zijn

Hoe spreek je opgaan uit?

/ˈɔpxan/

Opgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
x acht
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opgaan

opgaanhele werkwoord — ging opverleden tijd enkelvoud — gingen opverleden tijd meervoud — opgegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga op ging op
jij gaat op ging op
hij, zij, het gaat op ging op
wij gaan op gingen op
jullie gaan op gingen op
zij gaan op gingen op
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga op gebiedende wijs
ging op verleden tijd
is opgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal gaan bijzin, toekomende tijd
op zou gaan bijzin, voorwaardelijk
op zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
op zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
op zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen gaan bijzin, toekomende tijd
op zult gaan bijzin, toekomende tijd
opga bijzin, tegenwoordige tijd
opgaand onvoltooid, deelwoord
opgaat bijzin, tegenwoordige tijd
opgegaan verleden tijd, deelwoord
opgegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opging bijzin, verleden tijd
opgingen bijzin, verleden tijd
te zijn opgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opgaan bijzin, toekomende tijd
zal opgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opgaan bijzin, voorwaardelijk
zou opgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opgaan op zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden opgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opgaan bijzin, toekomende tijd
zullen opgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opgaan bijzin, toekomende tijd
zult opgegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opgaan op zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en gaan ww

Woordfamilie van opgaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga op gebiedende wijs opgaan
gaan op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opgaan
gaat op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opgaan
ging op verleden tijd opgaan
gingen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opgaan
opga subordinate-clause, tegenwoordige tijd opgaan
opgaand onvoltooid deelwoord opgaan
opgaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd opgaan
opgegaan voltooid deelwoord opgaan
opging subordinate-clause, verleden tijd opgaan
opgingen subordinate-clause, verleden tijd opgaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opgaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opgaan

Hoe spreek ik opgaan uit?
Zo spreek je opgaan uit: /ˈɔpxan/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van opgaan?
Opgaan is een werkwoord. De betekenis is: oprijzen, omhooggaan. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opgaan?
Zo vervoeg je opgaan zo: het voltooid deelwoord is opgegaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opgaan is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. G 3
  4. A 1
  5. A 1
  6. N 1
  7. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opgaan levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. G 3
  4. A 1
  5. A 1
  6. N 1
  7. 11 zonder bonus
  8. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opgaan telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

opgaan in het kort

opgaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opgaan staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opgaan bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opgaan: oprijzen, omhooggaan
Deel opgaan — standaardnederlands.nl