opgaan
werkwoord ˈɔpxanBetekenis
- oprijzen, omhooggaan
- een succes zijn, juist blijken
- deel worden van een groter geheel en daarin niet meer als afzonderlijk element te onderscheiden zijn
Hoe spreek je opgaan uit?
/ˈɔpxan/
Opgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van opgaan
opgaanhele werkwoord — ging opverleden tijd enkelvoud — gingen opverleden tijd meervoud — opgegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga op | ging op |
| jij | gaat op | ging op |
| hij, zij, het | gaat op | ging op |
| wij | gaan op | gingen op |
| jullie | gaan op | gingen op |
| zij | gaan op | gingen op |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga op | gebiedende wijs |
| ging op | verleden tijd |
| is opgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| op zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| op zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| opga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgaand | onvoltooid, deelwoord |
| opgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| opgegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opging | bijzin, verleden tijd |
| opgingen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn opgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opgaan op zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opgaan op zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op bw en gaan ww
Woordfamilie van opgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga op | gebiedende wijs | opgaan |
| gaan op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opgaan |
| gaat op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opgaan |
| ging op | verleden tijd | opgaan |
| gingen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opgaan |
| opga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opgaan |
| opgaand | onvoltooid deelwoord | opgaan |
| opgaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opgaan |
| opgegaan | voltooid deelwoord | opgaan |
| opging | subordinate-clause, verleden tijd | opgaan |
| opgingen | subordinate-clause, verleden tijd | opgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opgaan zijn vastgelegd.