opfrissen
werkwoord ˈɔpfrɪsə(n)Betekenis
- fris maken, prettiger leefbaar of toonbaarder maken
- opnieuw paraat hebben wat je eerder hebt geweten, in geheugen roepen
Hoe spreek je opfrissen uit?
/ˈɔpfrɪsən/
Opfrissen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| f | fiets |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van opfrissen
opfrissenhele werkwoord — friste opverleden tijd enkelvoud — fristen opverleden tijd meervoud — opgefristvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | fris op | friste op |
| jij | frist op | friste op |
| hij, zij, het | frist op | friste op |
| wij | frissen op | fristen op |
| jullie | frissen op | fristen op |
| zij | frissen op | fristen op |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgefrist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgefrist | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgefrist | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgefrist | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgefrist worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgefrist zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgefrist worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgefrist zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| fris op | gebiedende wijs |
| fris u/je op, frist je op | gebiedende wijs |
| friste op | verleden tijd |
| had opgefrist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgefrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgefrist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgefrist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgefrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgefrist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgefrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgefrist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te frissen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen frissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal frissen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou frissen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden frissen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt frissen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen frissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen frissen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult frissen | bijzin, toekomende tijd |
| opfris | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opfrissend | onvoltooid, deelwoord |
| opfrist | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opfriste | bijzin, verleden tijd |
| opfristen | bijzin, verleden tijd |
| opgefrist | verleden tijd, deelwoord |
| opgefrist te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgefrist te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgefrist te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgefrist te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgefrist te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgefrist worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgefrist zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgefrist zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgefrist zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgefrist zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgefrist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opfrissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgefrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgefrist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgefrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgefrist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgefrist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgefrist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgefrist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgefrist | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me opfrissen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opfrissen | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgefrist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgefrist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgefrist hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgefrist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgefrist worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgefrist zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgefrist zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich opfrissen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je opfrissen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich opfrissend | onvoltooid, deelwoord |
| zich opgefrist hebben | verleden tijd |
| zijn opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgefrist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opfrissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgefrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgefrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgefrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgefrist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgefrist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgefrist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgefrist zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgefrist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgefrist zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opfrissen op zou(dt) frissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opfrissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgefrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgefrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgefrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgefrist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgefrist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgefrist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgefrist zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgefrist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgefrist zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opfrissen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgefrist hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgefrist worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgefrist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je opfrissen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons opfrissen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen opfrissen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opfrissen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opfrissen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgefrist hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgefrist hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en fris bn met het achtervoegsel -en van een werkwoord"
Woordfamilie van opfrissen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| fris op | gebiedende wijs | opfrissen |
| frisse op | woordvorm | opfrissen |
| frissen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opfrissen |
| frist op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opfrissen |
| friste op | verleden tijd | opfrissen |
| fristen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opfrissen |
| opfris | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opfrissen |
| opfrisse | with-subordinate-clause | opfrissen |
| opfrissend | onvoltooid deelwoord | opfrissen |
| opfrissende | woordvorm | opfrissen |
| opfrist | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opfrissen |
| opfriste | subordinate-clause, verleden tijd | opfrissen |
| opfristen | subordinate-clause, verleden tijd | opfrissen |
| opgefrist | voltooid deelwoord | opfrissen |
| opgefriste | woordvorm | opfrissen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opfrissen zijn vastgelegd.