Naar de inhoud

opfleuren

er beter uit gaan zien

opfleuren

werkwoord

Betekenis

  1. er beter uit gaan zien
  2. iets er beter uit doen zien

Vervoeging van opfleuren

opfleurenhele werkwoord — fleurde opverleden tijd enkelvoud — fleurden opverleden tijd meervoud — opgefleurdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fleur op fleurde op
jij fleurt op fleurde op
hij, zij, het fleurt op fleurde op
wij fleuren op fleurden op
jullie fleuren op fleurden op
zij fleuren op fleurden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgefleurd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgefleurd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgefleurd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgefleurd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgefleurd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgefleurd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgefleurd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgefleurd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
fleur op gebiedende wijs
fleurde op verleden tijd
had opgefleurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgefleurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgefleurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgefleurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgefleurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgefleurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgefleurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgefleurd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te fleuren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen fleuren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal fleuren bijzin, toekomende tijd
op zou fleuren bijzin, voorwaardelijk
op zouden fleuren bijzin, voorwaardelijk
op zoudt fleuren bijzin, voorwaardelijk
op zullen fleuren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen fleuren bijzin, toekomende tijd
op zult fleuren bijzin, toekomende tijd
opfleur bijzin, tegenwoordige tijd
opfleurde bijzin, verleden tijd
opfleurden bijzin, verleden tijd
opfleurend onvoltooid, deelwoord
opfleurt bijzin, tegenwoordige tijd
opgefleurd verleden tijd, deelwoord
opgefleurd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgefleurd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgefleurd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgefleurd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgefleurd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgefleurd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgefleurd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgefleurd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgefleurd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgefleurd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgefleurd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opfleuren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgefleurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgefleurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgefleurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgefleurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgefleurd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgefleurd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgefleurd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgefleurd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opfleuren bijzin, toekomende tijd
zal opgefleurd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgefleurd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgefleurd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgefleurd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgefleurd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgefleurd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opfleuren bijzin, voorwaardelijk
zou opgefleurd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgefleurd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgefleurd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgefleurd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgefleurd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgefleurd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opfleuren op zou(dt) fleuren bijzin, voorwaardelijk
zouden opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opfleuren bijzin, voorwaardelijk
zouden opgefleurd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgefleurd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgefleurd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgefleurd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgefleurd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgefleurd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opfleuren bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgefleurd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgefleurd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opfleuren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opfleuren bijzin, toekomende tijd
zullen opgefleurd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgefleurd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgefleurd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgefleurd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgefleurd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgefleurd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgefleurd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opfleuren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en fleuren

Woordfamilie van opfleuren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fleur op gebiedende wijs opfleuren
fleurde op verleden tijd opfleuren
fleurden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opfleuren
fleure op woordvorm opfleuren
fleuren op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opfleuren
fleurt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opfleuren
opfleur subordinate-clause, tegenwoordige tijd opfleuren
opfleurde subordinate-clause, verleden tijd opfleuren
opfleurden subordinate-clause, verleden tijd opfleuren
opfleure with-subordinate-clause opfleuren
opfleurend onvoltooid deelwoord opfleuren
opfleurende woordvorm opfleuren
opfleurt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opfleuren
opgefleurd voltooid deelwoord opfleuren
opgefleurde woordvorm opfleuren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opfleuren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opfleuren

Wat is de betekenis van opfleuren?
Opfleuren is een werkwoord. De betekenis is: er beter uit gaan zien. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opfleuren?
Zo vervoeg je opfleuren zo: het voltooid deelwoord is opgefleurd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opfleuren is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. F 4
  4. L 3
  5. E 1
  6. U 4
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opfleuren levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. F 4
  4. L 3
  5. E 1
  6. U 2
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opfleuren in het kort

opfleuren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opfleuren staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opfleuren bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opfleuren: er beter uit gaan zien
Deel opfleuren — standaardnederlands.nl