openhouden
werkwoordBetekenis
- zorgen dat iets open blijft
Vervoeging van openhouden
openhoudenhele werkwoord — hield openverleden tijd enkelvoud — hielden openverleden tijd meervoud — opengehoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hou open | hield open |
| jij | houdt open | hield open |
| hij, zij, het | houdt open | hield open |
| wij | houden open | hielden open |
| jullie | houden open | hielden open |
| zij | houden open | hielden open |
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opengehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opengehouden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opengehouden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opengehouden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opengehouden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opengehouden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opengehouden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opengehouden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opengehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opengehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opengehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opengehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opengehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opengehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opengehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opengehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hield open | verleden tijd |
| hou open | gebiedende wijs |
| houd open | gebiedende wijs |
| is opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| open te houden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| open te zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| open zal houden | bijzin, toekomende tijd |
| open zou houden | bijzin, voorwaardelijk |
| open zouden houden | bijzin, voorwaardelijk |
| open zoudt houden | bijzin, voorwaardelijk |
| open zullen houden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| open zullen houden | bijzin, toekomende tijd |
| open zult houden | bijzin, toekomende tijd |
| opengehouden | verleden tijd, deelwoord |
| opengehouden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opengehouden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opengehouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengehouden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengehouden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengehouden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opengehouden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opengehouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opengehouden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opengehouden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| openhield | bijzin, verleden tijd |
| openhielden | bijzin, verleden tijd |
| openhou | bijzin, tegenwoordige tijd |
| openhoud | bijzin, tegenwoordige tijd |
| openhoudend | onvoltooid, deelwoord |
| openhoudt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben opengehouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen openhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opengehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opengehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opengehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opengehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opengehouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opengehouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opengehouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opengehouden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opengehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opengehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opengehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal openhouden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opengehouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opengehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou openhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) openhouden open zou(dt) houden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opengehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opengehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opengehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opengehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opengehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opengehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden openhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opengehouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opengehouden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt openhouden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opengehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opengehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opengehouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opengehouden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opengehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opengehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opengehouden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen openhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen openhouden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van open en houden
Woordfamilie van openhouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hield open | verleden tijd | openhouden |
| hielden open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | openhouden |
| hou open | gebiedende wijs | openhouden |
| houd open | gebiedende wijs | openhouden |
| houde open | woordvorm | openhouden |
| houden open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | openhouden |
| houdt open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | openhouden |
| opengehouden | voltooid deelwoord | openhouden |
| openhield | subordinate-clause, verleden tijd | openhouden |
| openhielden | subordinate-clause, verleden tijd | openhouden |
| openhou | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openhouden |
| openhoud | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openhouden |
| openhoude | with-subordinate-clause | openhouden |
| openhoudend | onvoltooid deelwoord | openhouden |
| openhoudende | woordvorm | openhouden |
| openhoudt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | openhouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van openhouden zijn vastgelegd.