opendoen
werkwoordBetekenis
- een afsluiting ongedaan maken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van opendoen
opendoenhele werkwoord — deed openverleden tijd enkelvoud — deden openverleden tijd meervoud — opengedaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doe open | deed open |
| jij | doet open | deed open |
| hij, zij, het | doet open | deed open |
| wij | doen open | deden open |
| jullie | doen open | deden open |
| zij | doen open | deden open |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| deed open | verleden tijd |
| doe open | gebiedende wijs |
| er is opengedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opengedaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opengedaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opengedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opengedaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opengedaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opengedaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opengedaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opengedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opengedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opengedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opengedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opengedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opengedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opengedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opengedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opengedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opengedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opengedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opengedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opengedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opengedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opengedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| open te doen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| open te zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| open zal doen | bijzin, toekomende tijd |
| open zou doen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zouden doen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zoudt doen | bijzin, voorwaardelijk |
| open zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| open zullen doen | bijzin, toekomende tijd |
| open zult doen | bijzin, toekomende tijd |
| opendeden | bijzin, verleden tijd |
| opendeed | bijzin, verleden tijd |
| opendeedt | bijzin, verleden tijd |
| opendoe | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opendoend | onvoltooid, deelwoord |
| opendoet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opengedaan | verleden tijd, deelwoord |
| opengedaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opengedaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opengedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opendoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opendoen | bijzin, toekomende tijd |
| zal opengedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opengedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opengedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opendoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opengedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opengedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opengedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opendoen open zou(dt) doen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opendoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opengedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opengedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opengedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opendoen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opengedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opendoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opendoen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opengedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opengedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opengedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opendoen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opendoen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opengedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opendoen open zult/zal doen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van open en doen
Woordfamilie van opendoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deden open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opendoen |
| deed open | verleden tijd | opendoen |
| doe open | gebiedende wijs | opendoen |
| doen open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opendoen |
| doet open | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opendoen |
| opendeden | subordinate-clause, verleden tijd | opendoen |
| opendeed | subordinate-clause, verleden tijd | opendoen |
| opendoe | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opendoen |
| opendoend | onvoltooid deelwoord | opendoen |
| opendoende | woordvorm | opendoen |
| opendoet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opendoen |
| opengedaan | voltooid deelwoord | opendoen |
| opengedane | woordvorm | opendoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opendoen zijn vastgelegd.