opdruk
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een op een doek of verpakking door drukken aangebrachte tekst
- een oefening waarbij men het lichaam met de handen van de grond opdrukt
- het verhogen van de toon van een snaarinstrument, met name een elektrische gitaar, door een snaar enigszins te verbuigen
- zware trein die op een heuvel of ander lastig traject door een extra locomotief geduwd wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| opdrukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| opdrukjes | verkleinwoord, meervoud |
| opdrukken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opdrukken
Vervoeging van opdruk
opdrukhele werkwoord
Woordfamilie van opdruk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opdrukje | verkleinwoord | opdruk |
| opdrukjes | verkleinwoord meervoud | opdruk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdruk zijn vastgelegd.