opdringen
werkwoord /ˈɔbdrɪŋə(n)/Betekenis
- dringend zich in een bepaalde richting begeven
- iemand tegen zijn zin (iets) doen aannemen, tegen heug en meug opleggen
- zich ~: met kracht oprijzen, voor de verbeelding komen
- zich ~: met alle middelen iemands gezelschap of genegenheid zoeken
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Hoe spreek je opdringen uit?
/ˈɔbdrɪŋən/
Opdringen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| b | bak |
| d | dak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van opdringen
opdringenhele werkwoord — drong opverleden tijd enkelvoud — drongen opverleden tijd meervoud — opgedrongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dring op | drong op |
| jij | dringt op | drong op |
| hij, zij, het | dringt op | drong op |
| wij | dringen op | drongen op |
| jullie | dringen op | drongen op |
| zij | dringen op | drongen op |
Alle 220 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dring op | gebiedende wijs |
| dring u/je op, dringt je op | gebiedende wijs |
| drong op | verleden tijd |
| er is opgedrongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgedrongen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgedrongen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgedrongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgedrongen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgedrongen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgedrongen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgedrongen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgedrongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgedrongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had opgedrongen gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgedrongen gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgedrongen gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgedrongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgedrongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgedrongen gekregen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgedrongen gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgedrongen gekregen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt opgedrongen gekregen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb opgedrongen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgedrongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben opgedrongen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgedrongen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgedrongen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt opgedrongen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft opgedrongen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgedrongen gekregen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kreeg opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| kreeg opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| kreeg opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kreegt opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| kregen opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| kregen opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| kregen opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| krijg opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| krijgen opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| krijgen opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| krijgen opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| krijgt opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| krijgt opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| op te dringen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen dringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal dringen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt dringen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen dringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen dringen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult dringen | bijzin, toekomende tijd |
| opdring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opdringend | onvoltooid, deelwoord |
| opdringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opdrong | bijzin, verleden tijd |
| opdrongen | bijzin, verleden tijd |
| opdrongt | bijzin, verleden tijd |
| opgedrongen | verleden tijd, deelwoord |
| opgedrongen gekregen hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgedrongen gekregen te hebben | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgedrongen gekregen te zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedrongen gekregen zullen hebben | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgedrongen krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgedrongen te krijgen | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgedrongen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgedrongen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgedrongen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedrongen te zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedrongen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedrongen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedrongen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgedrongen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgedrongen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgedrongen zullen krijgen | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgedrongen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgedrongen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgedrongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opdringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgedrongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgedrongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgedrongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgedrongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgedrongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgedrongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me opdringen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal opdringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opdringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opdringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opdringen | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgedrongen gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedrongen gekregen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgedrongen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgedrongen krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedrongen krijgen | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgedrongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedrongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgedrongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedrongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich opdringen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je opdringen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich opdringend | onvoltooid, deelwoord |
| zich opgedrongen hebben | verleden tijd |
| zijn opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgedrongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opdringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en dringen ww
Woordfamilie van opdringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dring op | gebiedende wijs | opdringen |
| dringe op | woordvorm | opdringen |
| dringen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opdringen |
| dringt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opdringen |
| drong op | verleden tijd | opdringen |
| drongen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opdringen |
| opdring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opdringen |
| opdringe | with-subordinate-clause | opdringen |
| opdringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opdringen |
| opdrong | subordinate-clause, verleden tijd | opdringen |
| opdrongen | subordinate-clause, verleden tijd | opdringen |
| opgedrongen | voltooid deelwoord | opdringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdringen zijn vastgelegd.