Naar de inhoud

opdringen

dringend zich in een bepaalde richting begeven

opdringen

werkwoord /ˈɔbdrɪŋə(n)/

Betekenis

  1. dringend zich in een bepaalde richting begeven
  2. iemand tegen zijn zin (iets) doen aannemen, tegen heug en meug opleggen
  3. zich ~: met kracht oprijzen, voor de verbeelding komen
  4. zich ~: met alle middelen iemands gezelschap of genegenheid zoeken
  5. tweede betekenisomschrijving.
  6. enz.

Hoe spreek je opdringen uit?

/ˈɔbdrɪŋən/

Opdringen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔbdrɪŋən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
b bak
d dak
r rood
ɪ pit
ŋ ding
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opdringen

opdringenhele werkwoord — drong opverleden tijd enkelvoud — drongen opverleden tijd meervoud — opgedrongenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik dring op drong op
jij dringt op drong op
hij, zij, het dringt op drong op
wij dringen op drongen op
jullie dringen op drongen op
zij dringen op drongen op
Alle 220 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dring op gebiedende wijs
dring u/je op, dringt je op gebiedende wijs
drong op verleden tijd
er is opgedrongen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgedrongen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgedrongen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgedrongen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgedrongen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgedrongen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgedrongen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgedrongen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgedrongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgedrongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgedrongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
had opgedrongen gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgedrongen gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgedrongen gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgedrongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgedrongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgedrongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgedrongen gekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgedrongen gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgedrongen gekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgedrongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt opgedrongen gekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb opgedrongen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedrongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben opgedrongen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedrongen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgedrongen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt opgedrongen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft opgedrongen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedrongen gekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kreeg opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
kreeg opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
kreeg opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kreegt opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
kregen opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
kregen opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
kregen opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
krijg opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
krijgen opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
krijgen opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
krijgen opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
krijgt opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
krijgt opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
op te dringen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen dringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal dringen bijzin, toekomende tijd
op zou dringen bijzin, voorwaardelijk
op zouden dringen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt dringen bijzin, voorwaardelijk
op zullen dringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen dringen bijzin, toekomende tijd
op zult dringen bijzin, toekomende tijd
opdring bijzin, tegenwoordige tijd
opdringend onvoltooid, deelwoord
opdringt bijzin, tegenwoordige tijd
opdrong bijzin, verleden tijd
opdrongen bijzin, verleden tijd
opdrongt bijzin, verleden tijd
opgedrongen verleden tijd, deelwoord
opgedrongen gekregen hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgedrongen gekregen te hebben infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgedrongen gekregen te zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedrongen gekregen zullen hebben infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgedrongen krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgedrongen te krijgen infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgedrongen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgedrongen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgedrongen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedrongen te zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedrongen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedrongen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedrongen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgedrongen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgedrongen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgedrongen zullen krijgen infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgedrongen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgedrongen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgedrongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opdringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgedrongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgedrongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgedrongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgedrongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgedrongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgedrongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgedrongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgedrongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me opdringen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal opdringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opdringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opdringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opdringen bijzin, toekomende tijd
zal opgedrongen gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedrongen gekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgedrongen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedrongen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgedrongen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgedrongen krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedrongen krijgen enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgedrongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedrongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgedrongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedrongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich opdringen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je opdringen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich opdringend onvoltooid, deelwoord
zich opgedrongen hebben verleden tijd
zijn opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgedrongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opdringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en dringen ww

Woordfamilie van opdringen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dring op gebiedende wijs opdringen
dringe op woordvorm opdringen
dringen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opdringen
dringt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opdringen
drong op verleden tijd opdringen
drongen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opdringen
opdring subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdringen
opdringe with-subordinate-clause opdringen
opdringt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdringen
opdrong subordinate-clause, verleden tijd opdringen
opdrongen subordinate-clause, verleden tijd opdringen
opgedrongen voltooid deelwoord opdringen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdringen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over opdringen

Hoe spreek ik opdringen uit?
Zo spreek je opdringen uit: /ˈɔbdrɪŋə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van opdringen?
Opdringen is een werkwoord. De betekenis is: dringend zich in een bepaalde richting begeven. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opdringen?
Zo vervoeg je opdringen zo: het voltooid deelwoord is opgedrongen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opdringen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. D 2
  4. R 2
  5. I 1
  6. N 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opdringen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. D 2
  4. R 2
  5. I 2
  6. N 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opdringen in het kort

opdringen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opdringen staan er 134 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opdringen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opdringen: dringend zich in een bepaalde richting begeven
Deel opdringen — standaardnederlands.nl