Naar de inhoud

opdragen

iemand iets te doen geven

opdragen

werkwoord

Betekenis

  1. iemand iets te doen geven
  2. iets ~ aan als eerbewijs iets wijden aan iemand

Vervoeging van opdragen

opdragenhele werkwoord — droeg opverleden tijd enkelvoud — droegen opverleden tijd meervoud — opgedragenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik draag op droeg op
jij draagt op droeg op
hij, zij, het draagt op droeg op
wij dragen op droegen op
jullie dragen op droegen op
zij dragen op droegen op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
draag op gebiedende wijs
droeg op verleden tijd
er is opgedragen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgedragen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgedragen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgedragen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgedragen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgedragen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgedragen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgedragen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgedragen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgedragen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgedragen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgedragen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedragen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te dragen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen dragen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal dragen bijzin, toekomende tijd
op zou dragen bijzin, voorwaardelijk
op zouden dragen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt dragen bijzin, voorwaardelijk
op zullen dragen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen dragen bijzin, toekomende tijd
op zult dragen bijzin, toekomende tijd
opdraag bijzin, tegenwoordige tijd
opdraagt bijzin, tegenwoordige tijd
opdragend onvoltooid, deelwoord
opdroeg bijzin, verleden tijd
opdroegen bijzin, verleden tijd
opgedragen verleden tijd, deelwoord
opgedragen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgedragen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgedragen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedragen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedragen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedragen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgedragen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgedragen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgedragen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgedragen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgedragen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opdragen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgedragen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgedragen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgedragen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgedragen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgedragen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgedragen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgedragen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opdragen bijzin, toekomende tijd
zal opgedragen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedragen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgedragen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgedragen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedragen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgedragen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opdragen bijzin, voorwaardelijk
zou opgedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opdragen op zou(dt) dragen bijzin, voorwaardelijk
zouden opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opdragen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opdragen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgedragen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgedragen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opdragen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opdragen bijzin, toekomende tijd
zullen opgedragen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgedragen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgedragen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgedragen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgedragen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgedragen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgedragen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opdragen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en dragen

Woordfamilie van opdragen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
draag op gebiedende wijs opdragen
draagt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opdragen
drage op woordvorm opdragen
dragen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opdragen
droeg op verleden tijd opdragen
droegen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opdragen
opdraag subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdragen
opdraagt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdragen
opdrage with-subordinate-clause opdragen
opdragend onvoltooid deelwoord opdragen
opdragende woordvorm opdragen
opdroeg subordinate-clause, verleden tijd opdragen
opdroegen subordinate-clause, verleden tijd opdragen
opgedragen voltooid deelwoord opdragen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdragen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opdragen

Wat betekent opdragen?
Opdragen is een werkwoord. Het woord betekent: iemand iets te doen geven. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opdragen?
Je vervoegt opdragen als volgt: het voltooid deelwoord is opgedragen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opdragen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. D 2
  4. R 2
  5. A 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opdragen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. D 2
  4. R 2
  5. A 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opdragen in het kort

opdragen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opdragen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opdragen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opdragen: iemand iets te doen geven
Deel opdragen — standaardnederlands.nl