Naar de inhoud

opdonderen

heel snel weggaan

opdonderen

werkwoord ˈɔbdɔndərə(n)

Betekenis

  1. heel snel weggaan

Hoe spreek je opdonderen uit?

/ˈɔbdɔndərən/

Opdonderen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔbdɔndərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
b bak
d dak
n nek
ə de
r rood
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opdonderen

opdonderenhele werkwoord — donderde opverleden tijd enkelvoud — donderden opverleden tijd meervoud — opgedonderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik donder op donderde op
jij dondert op donderde op
hij, zij, het dondert op donderde op
wij donderen op donderden op
jullie donderen op donderden op
zij donderen op donderden op
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
donder op gebiedende wijs
donderde op verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had opgedonderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgedonderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgedonderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgedonderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgedonderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgedonderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgedonderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgedonderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedonderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgedonderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedonderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgedonderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgedonderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedonderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedonderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te donderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen donderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal donderen bijzin, toekomende tijd
op zou donderen bijzin, voorwaardelijk
op zouden donderen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt donderen bijzin, voorwaardelijk
op zullen donderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen donderen bijzin, toekomende tijd
op zult donderen bijzin, toekomende tijd
opdonder bijzin, tegenwoordige tijd
opdonderde bijzin, verleden tijd
opdonderden bijzin, verleden tijd
opdonderend onvoltooid, deelwoord
opdondert bijzin, tegenwoordige tijd
opgedonderd verleden tijd, deelwoord
opgedonderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedonderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgedonderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opdonderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opdonderen bijzin, toekomende tijd
zal opgedonderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedonderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgedonderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opdonderen bijzin, voorwaardelijk
zou opgedonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opdonderen op zou(dt) donderen bijzin, voorwaardelijk
zouden opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opdonderen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgedonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgedonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgedonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opdonderen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgedonderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opdonderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opdonderen bijzin, toekomende tijd
zullen opgedonderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgedonderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgedonderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opdonderen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opdonderen bijzin, toekomende tijd
zult opgedonderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opdonderen op zult/zal donderen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en donderen ww

Woordfamilie van opdonderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
donder op gebiedende wijs opdonderen
donderde op verleden tijd opdonderen
donderden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opdonderen
dondere op woordvorm opdonderen
donderen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opdonderen
dondert op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opdonderen
opdonderde subordinate-clause, verleden tijd opdonderen
opdonderden subordinate-clause, verleden tijd opdonderen
opdondere with-subordinate-clause opdonderen
opdonderend onvoltooid deelwoord opdonderen
opdonderende woordvorm opdonderen
opdondert subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdonderen
opgedonderd voltooid deelwoord opdonderen
opgedonderde woordvorm opdonderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdonderen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opdonderen

Hoe spreek ik opdonderen uit?
Zo spreek je opdonderen uit: /ˈɔbdɔndərə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van opdonderen?
Opdonderen is een werkwoord. De betekenis is: heel snel weggaan.
Hoe vervoeg ik opdonderen?
Zo vervoeg je opdonderen zo: het voltooid deelwoord is opgedonderd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opdonderen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. D 2
  4. O 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opdonderen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. D 2
  4. O 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 zonder bonus
  12. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opdonderen in het kort

opdonderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opdonderen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opdonderen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opdonderen: heel snel weggaan
Deel opdonderen — standaardnederlands.nl