opdelven
werkwoordBetekenis
- door delven aan de oppervlakte brengen
- met moeite tevoorschijn brengen
Vervoeging van opdelven
opdelvenhele werkwoord — delfde opverleden tijd enkelvoud — delfden opverleden tijd meervoud — opgedolvenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | delf op | delfde op |
| jij | delft op | delfde op |
| hij, zij, het | delft op | delfde op |
| wij | delven op | delfden op |
| jullie | delven op | delfden op |
| zij | delven op | delfden op |
Alle 148 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| delf op | gebiedende wijs |
| delfde op | verleden tijd |
| dolf op | verleden tijd |
| er is opgedolven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgedolven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgedolven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgedolven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgedolven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgedolven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgedolven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgedolven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgedolven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgedolven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgedolven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgedolven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgedolven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgedolven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgedolven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgedolven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te delven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen delven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal delven | bijzin, toekomende tijd |
| op zou delven | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden delven | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt delven | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen delven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen delven | bijzin, toekomende tijd |
| op zult delven | bijzin, toekomende tijd |
| opdelf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opdelfde | bijzin, verleden tijd |
| opdelfden | bijzin, verleden tijd |
| opdelft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opdelvend | onvoltooid, deelwoord |
| opdolf | bijzin, verleden tijd |
| opdolven | bijzin, verleden tijd |
| opgedolven | verleden tijd, deelwoord |
| opgedolven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgedolven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgedolven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedolven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedolven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedolven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgedolven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgedolven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgedolven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgedolven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgedolven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opdelven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgedolven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgedolven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgedolven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgedolven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgedolven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgedolven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgedolven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgedolven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opdelven | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgedolven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedolven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgedolven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgedolven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedolven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgedolven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opdelven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgedolven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgedolven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgedolven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgedolven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgedolven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgedolven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opdelven op zou(dt) delven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opdelven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgedolven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgedolven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgedolven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgedolven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgedolven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgedolven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opdelven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgedolven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgedolven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opdelven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opdelven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opdelven | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgedolven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgedolven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgedolven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgedolven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgedolven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
Herkomst
samenstelling van op en delven
Woordfamilie van opdelven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| delf op | gebiedende wijs | opdelven |
| delfde op | verleden tijd | opdelven |
| delfden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opdelven |
| delft op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opdelven |
| delve op | woordvorm | opdelven |
| delven op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opdelven |
| dolf op | verleden tijd | opdelven |
| dolven op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opdelven |
| opdelf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opdelven |
| opdelfde | subordinate-clause, verleden tijd | opdelven |
| opdelfden | subordinate-clause, verleden tijd | opdelven |
| opdelft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opdelven |
| opdelve | with-subordinate-clause | opdelven |
| opdelvend | onvoltooid deelwoord | opdelven |
| opdelvende | woordvorm | opdelven |
| opdolf | subordinate-clause, verleden tijd | opdelven |
| opdolven | subordinate-clause, verleden tijd | opdelven |
| opgedolven | voltooid deelwoord | opdelven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdelven zijn vastgelegd.