Naar de inhoud

opdelven

door delven aan de oppervlakte brengen

opdelven

werkwoord

Betekenis

  1. door delven aan de oppervlakte brengen
  2. met moeite tevoorschijn brengen

Vervoeging van opdelven

opdelvenhele werkwoord — delfde opverleden tijd enkelvoud — delfden opverleden tijd meervoud — opgedolvenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik delf op delfde op
jij delft op delfde op
hij, zij, het delft op delfde op
wij delven op delfden op
jullie delven op delfden op
zij delven op delfden op
Alle 148 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
delf op gebiedende wijs
delfde op verleden tijd
dolf op verleden tijd
er is opgedolven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgedolven impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgedolven impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgedolven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgedolven worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgedolven zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgedolven worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgedolven zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgedolven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgedolven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgedolven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgedolven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgedolven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgedolven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgedolven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedolven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te delven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen delven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal delven bijzin, toekomende tijd
op zou delven bijzin, voorwaardelijk
op zouden delven bijzin, voorwaardelijk
op zoudt delven bijzin, voorwaardelijk
op zullen delven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen delven bijzin, toekomende tijd
op zult delven bijzin, toekomende tijd
opdelf bijzin, tegenwoordige tijd
opdelfde bijzin, verleden tijd
opdelfden bijzin, verleden tijd
opdelft bijzin, tegenwoordige tijd
opdelvend onvoltooid, deelwoord
opdolf bijzin, verleden tijd
opdolven bijzin, verleden tijd
opgedolven verleden tijd, deelwoord
opgedolven te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgedolven te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgedolven te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedolven te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedolven te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgedolven worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgedolven zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgedolven zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgedolven zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgedolven zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgedolven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opdelven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgedolven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgedolven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgedolven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgedolven voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgedolven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgedolven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgedolven voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgedolven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgedolven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgedolven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgedolven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgedolven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgedolven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgedolven enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgedolven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgedolven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgedolven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgedolven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgedolven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgedolven enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opdelven bijzin, toekomende tijd
zal opgedolven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedolven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgedolven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgedolven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgedolven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgedolven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opdelven bijzin, voorwaardelijk
zou opgedolven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedolven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedolven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedolven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgedolven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgedolven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opdelven op zou(dt) delven bijzin, voorwaardelijk
zouden opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opdelven bijzin, voorwaardelijk
zouden opgedolven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgedolven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgedolven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgedolven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgedolven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgedolven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opdelven bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgedolven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgedolven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opdelven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opdelven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opdelven bijzin, toekomende tijd
zullen opgedolven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgedolven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgedolven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgedolven worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgedolven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van op en delven

Woordfamilie van opdelven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
delf op gebiedende wijs opdelven
delfde op verleden tijd opdelven
delfden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opdelven
delft op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opdelven
delve op woordvorm opdelven
delven op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opdelven
dolf op verleden tijd opdelven
dolven op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opdelven
opdelf subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdelven
opdelfde subordinate-clause, verleden tijd opdelven
opdelfden subordinate-clause, verleden tijd opdelven
opdelft subordinate-clause, tegenwoordige tijd opdelven
opdelve with-subordinate-clause opdelven
opdelvend onvoltooid deelwoord opdelven
opdelvende woordvorm opdelven
opdolf subordinate-clause, verleden tijd opdelven
opdolven subordinate-clause, verleden tijd opdelven
opgedolven voltooid deelwoord opdelven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdelven zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over opdelven

Wat is de betekenis van opdelven?
Opdelven is een werkwoord. De betekenis is: door delven aan de oppervlakte brengen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opdelven?
Zo vervoeg je opdelven zo: het voltooid deelwoord is opgedolven. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opdelven is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. D 2
  4. E 1
  5. L 3
  6. V 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opdelven levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. D 2
  4. E 1
  5. L 3
  6. V 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opdelven in het kort

opdelven staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opdelven staan er 92 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opdelven bij een woordfamilie van 18 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opdelven: door delven aan de oppervlakte brengen
Deel opdelven — standaardnederlands.nl