opdelen
werkwoordBetekenis
- ~ in geheel in stukken verdelen
Vervoeging van opdelen
opdelenhele werkwoord — deelde opverleden tijd enkelvoud — deelden opverleden tijd meervoud — opgedeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | deel op | deelde op |
| jij | deelt op | deelde op |
| hij, zij, het | deelt op | deelde op |
| wij | delen op | deelden op |
| jullie | delen op | deelden op |
| zij | delen op | deelden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| deel op | gebiedende wijs |
| deelde op | verleden tijd |
| er is opgedeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgedeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgedeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgedeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgedeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgedeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgedeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgedeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgedeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te delen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen delen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal delen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou delen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden delen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt delen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen delen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen delen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult delen | bijzin, toekomende tijd |
| opdeel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opdeelde | bijzin, verleden tijd |
| opdeelden | bijzin, verleden tijd |
| opdeelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opdelend | onvoltooid, deelwoord |
| opgedeeld | verleden tijd, deelwoord |
| opgedeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgedeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgedeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgedeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgedeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgedeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgedeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgedeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgedeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opdelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgedeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgedeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgedeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgedeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opdelen | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgedeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opdelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opdelen op zou(dt) delen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opdelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opdelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgedeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgedeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opdelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opdelen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgedeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgedeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgedeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opdelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en delen
Woordfamilie van opdelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deel op | gebiedende wijs | opdelen |
| deelde op | verleden tijd | opdelen |
| deelden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opdelen |
| deelt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opdelen |
| dele op | woordvorm | opdelen |
| delen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opdelen |
| opdeel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opdelen |
| opdeelde | subordinate-clause, verleden tijd | opdelen |
| opdeelden | subordinate-clause, verleden tijd | opdelen |
| opdeelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opdelen |
| opdele | with-subordinate-clause | opdelen |
| opdelend | onvoltooid deelwoord | opdelen |
| opdelende | woordvorm | opdelen |
| opgedeeld | voltooid deelwoord | opdelen |
| opgedeelde | woordvorm | opdelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opdelen zijn vastgelegd.