opbruisen
werkwoordBetekenis
- door vorming van uiteenspattende gasbellen in volume toenemen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van opbruisen
opbruisenhele werkwoord — bruiste opverleden tijd enkelvoud — bruisten opverleden tijd meervoud — opgebruistvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bruis op | bruiste op |
| jij | bruist op | bruiste op |
| hij, zij, het | bruist op | bruiste op |
| wij | bruisen op | bruisten op |
| jullie | bruisen op | bruisten op |
| zij | bruisen op | bruisten op |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opgebruist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgebruist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bruis op | gebiedende wijs |
| bruiste op | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is opgebruist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgebruist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te bruisen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen bruisen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal bruisen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou bruisen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden bruisen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt bruisen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen bruisen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen bruisen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult bruisen | bijzin, toekomende tijd |
| opbruis | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbruisend | onvoltooid, deelwoord |
| opbruist | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbruiste | bijzin, verleden tijd |
| opbruisten | bijzin, verleden tijd |
| opgebruist | verleden tijd, deelwoord |
| opgebruist te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebruist zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te zijn opgebruist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opbruisen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgebruist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebruist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgebruist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebruist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgebruist | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgebruist | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgebruist | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opbruisen | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgebruist zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebruist zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgebruist zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgebruist | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgebruist | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgebruist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgebruist | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgebruist | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opbruisen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgebruist zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebruist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebruist zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opbruisen op zou(dt) bruisen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opbruisen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgebruist zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebruist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebruist zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opbruisen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgebruist zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opbruisen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opbruisen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgebruist zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebruist zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebruist zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opbruisen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opbruisen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgebruist zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opbruisen op zult/zal bruisen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en bruisen
Woordfamilie van opbruisen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bruis op | gebiedende wijs | opbruisen |
| bruise op | woordvorm | opbruisen |
| bruisen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opbruisen |
| bruist op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opbruisen |
| bruiste op | verleden tijd | opbruisen |
| bruisten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opbruisen |
| opbruis | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbruisen |
| opbruise | with-subordinate-clause | opbruisen |
| opbruisend | onvoltooid deelwoord | opbruisen |
| opbruisende | woordvorm | opbruisen |
| opbruist | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbruisen |
| opbruiste | subordinate-clause, verleden tijd | opbruisen |
| opbruisten | subordinate-clause, verleden tijd | opbruisen |
| opgebruist | voltooid deelwoord | opbruisen |
| opgebruiste | woordvorm | opbruisen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbruisen zijn vastgelegd.