Naar de inhoud

opbruisen

door vorming van uiteenspattende gasbellen in volume toenemen

opbruisen

werkwoord

Betekenis

  1. door vorming van uiteenspattende gasbellen in volume toenemen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van opbruisen

opbruisenhele werkwoord — bruiste opverleden tijd enkelvoud — bruisten opverleden tijd meervoud — opgebruistvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bruis op bruiste op
jij bruist op bruiste op
hij, zij, het bruist op bruiste op
wij bruisen op bruisten op
jullie bruisen op bruisten op
zij bruisen op bruisten op
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opgebruist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgebruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bruis op gebiedende wijs
bruiste op verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is opgebruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgebruist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te bruisen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen bruisen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal bruisen bijzin, toekomende tijd
op zou bruisen bijzin, voorwaardelijk
op zouden bruisen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt bruisen bijzin, voorwaardelijk
op zullen bruisen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen bruisen bijzin, toekomende tijd
op zult bruisen bijzin, toekomende tijd
opbruis bijzin, tegenwoordige tijd
opbruisend onvoltooid, deelwoord
opbruist bijzin, tegenwoordige tijd
opbruiste bijzin, verleden tijd
opbruisten bijzin, verleden tijd
opgebruist verleden tijd, deelwoord
opgebruist te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebruist zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te zijn opgebruist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opbruisen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgebruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebruist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgebruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebruist voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgebruist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgebruist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgebruist voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opbruisen bijzin, toekomende tijd
zal opgebruist zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebruist zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgebruist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgebruist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgebruist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgebruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgebruist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgebruist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opbruisen bijzin, voorwaardelijk
zou opgebruist zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebruist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebruist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opbruisen op zou(dt) bruisen bijzin, voorwaardelijk
zouden opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opbruisen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebruist zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebruist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebruist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opbruisen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebruist zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opbruisen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opbruisen bijzin, toekomende tijd
zullen opgebruist zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebruist zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebruist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opbruisen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opbruisen bijzin, toekomende tijd
zult opgebruist zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opbruisen op zult/zal bruisen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en bruisen

Woordfamilie van opbruisen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bruis op gebiedende wijs opbruisen
bruise op woordvorm opbruisen
bruisen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opbruisen
bruist op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opbruisen
bruiste op verleden tijd opbruisen
bruisten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opbruisen
opbruis subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbruisen
opbruise with-subordinate-clause opbruisen
opbruisend onvoltooid deelwoord opbruisen
opbruisende woordvorm opbruisen
opbruist subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbruisen
opbruiste subordinate-clause, verleden tijd opbruisen
opbruisten subordinate-clause, verleden tijd opbruisen
opgebruist voltooid deelwoord opbruisen
opgebruiste woordvorm opbruisen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbruisen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opbruisen

Wat is de betekenis van opbruisen?
Opbruisen is een werkwoord. De betekenis is: door vorming van uiteenspattende gasbellen in volume toenemen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opbruisen?
Zo vervoeg je opbruisen zo: het voltooid deelwoord is opgebruist. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opbruisen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. R 2
  5. U 4
  6. I 1
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opbruisen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. R 2
  5. U 2
  6. I 2
  7. S 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opbruisen in het kort

opbruisen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opbruisen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opbruisen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opbruisen: door vorming van uiteenspattende gasbellen in volume toenemen
Deel opbruisen — standaardnederlands.nl