opbranden
werkwoordBetekenis
- branden tot er geen brandstof rest
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van opbranden
opbrandenhele werkwoord — brandde opverleden tijd enkelvoud — brandden opverleden tijd meervoud — opgebrandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brand op | brandde op |
| jij | brandt op | brandde op |
| hij, zij, het | brandt op | brandde op |
| wij | branden op | brandden op |
| jullie | branden op | brandden op |
| zij | branden op | brandden op |
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brand op | gebiedende wijs |
| brandde op | verleden tijd |
| er is opgebrand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgebrand | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgebrand | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgebrand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgebrand worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgebrand zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgebrand worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgebrand zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| is opgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te branden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen branden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal branden | bijzin, toekomende tijd |
| op zou branden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden branden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt branden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen branden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen branden | bijzin, toekomende tijd |
| op zult branden | bijzin, toekomende tijd |
| opbrand | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbrandde | bijzin, verleden tijd |
| opbrandden | bijzin, verleden tijd |
| opbrandend | onvoltooid, deelwoord |
| opbrandt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgebrand | verleden tijd, deelwoord |
| opgebrand te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebrand te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebrand te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebrand te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebrand te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebrand worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebrand zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebrand zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebrand zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebrand zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te zijn opgebrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opbranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opbranden | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgebrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opbranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opbranden op zou(dt) branden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opbranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opbranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opbranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opbranden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opbranden | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opbranden op zult/zal branden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op bw en branden ww
Woordfamilie van opbranden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brand op | gebiedende wijs | opbranden |
| brandde op | verleden tijd | opbranden |
| brandden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opbranden |
| brande op | woordvorm | opbranden |
| branden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opbranden |
| brandt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opbranden |
| opbrand | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbranden |
| opbrandde | subordinate-clause, verleden tijd | opbranden |
| opbrandden | subordinate-clause, verleden tijd | opbranden |
| opbrande | with-subordinate-clause | opbranden |
| opbrandend | onvoltooid deelwoord | opbranden |
| opbrandende | woordvorm | opbranden |
| opbrandt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbranden |
| opgebrand | voltooid deelwoord | opbranden |
| opgebrande | woordvorm | opbranden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbranden zijn vastgelegd.