Naar de inhoud

opbranden

branden tot er geen brandstof rest

opbranden

werkwoord

Betekenis

  1. branden tot er geen brandstof rest
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van opbranden

opbrandenhele werkwoord — brandde opverleden tijd enkelvoud — brandden opverleden tijd meervoud — opgebrandvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik brand op brandde op
jij brandt op brandde op
hij, zij, het brandt op brandde op
wij branden op brandden op
jullie branden op brandden op
zij branden op brandden op
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
brand op gebiedende wijs
brandde op verleden tijd
er is opgebrand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgebrand impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgebrand impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgebrand impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgebrand worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgebrand zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgebrand worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgebrand zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
is opgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te branden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen branden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal branden bijzin, toekomende tijd
op zou branden bijzin, voorwaardelijk
op zouden branden bijzin, voorwaardelijk
op zoudt branden bijzin, voorwaardelijk
op zullen branden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen branden bijzin, toekomende tijd
op zult branden bijzin, toekomende tijd
opbrand bijzin, tegenwoordige tijd
opbrandde bijzin, verleden tijd
opbrandden bijzin, verleden tijd
opbrandend onvoltooid, deelwoord
opbrandt bijzin, tegenwoordige tijd
opgebrand verleden tijd, deelwoord
opgebrand te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebrand te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebrand te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebrand te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebrand te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebrand worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebrand zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebrand zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebrand zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebrand zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te zijn opgebrand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opbranden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgebrand voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgebrand voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgebrand voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgebrand enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgebrand enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opbranden bijzin, toekomende tijd
zal opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgebrand actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgebrand voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opbranden bijzin, voorwaardelijk
zou opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opbranden op zou(dt) branden bijzin, voorwaardelijk
zouden opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opbranden bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opbranden bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebrand zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opbranden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opbranden bijzin, toekomende tijd
zullen opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opbranden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opbranden bijzin, toekomende tijd
zult opgebrand worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgebrand zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opbranden op zult/zal branden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en branden ww

Woordfamilie van opbranden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
brand op gebiedende wijs opbranden
brandde op verleden tijd opbranden
brandden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opbranden
brande op woordvorm opbranden
branden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opbranden
brandt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opbranden
opbrand subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbranden
opbrandde subordinate-clause, verleden tijd opbranden
opbrandden subordinate-clause, verleden tijd opbranden
opbrande with-subordinate-clause opbranden
opbrandend onvoltooid deelwoord opbranden
opbrandende woordvorm opbranden
opbrandt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbranden
opgebrand voltooid deelwoord opbranden
opgebrande woordvorm opbranden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbranden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opbranden

Wat is de betekenis van opbranden?
Opbranden is een werkwoord. De betekenis is: branden tot er geen brandstof rest. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opbranden?
Zo vervoeg je opbranden zo: het voltooid deelwoord is opgebrand. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opbranden is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. R 2
  5. A 1
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opbranden levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. R 2
  5. A 1
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opbranden in het kort

opbranden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opbranden staan er 73 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opbranden bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opbranden: branden tot er geen brandstof rest
Deel opbranden — standaardnederlands.nl