ontzinken
werkwoordBetekenis
- verloren gaan
Vervoeging van ontzinken
ontzinkenhele werkwoord — ontzonkverleden tijd enkelvoud — ontzonkenverleden tijd meervoud — ontzonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontzink | ontzonk |
| jij | ontzinkt | ontzonk |
| hij, zij, het | ontzinkt | ontzonk |
| wij | ontzinken | ontzonken |
| jullie | ontzinken | ontzonken |
| zij | ontzinken | ontzonken |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontzonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontzonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontzonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontzonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontzink | gebiedende wijs |
| ontzinke | aanvoegende wijs |
| ontzinkend | onvoltooid, deelwoord |
| ontzonk | verleden tijd |
| ontzonken | verleden tijd, deelwoord |
| ontzonken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontzonken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te ontzinken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontzonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontzinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontzonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontzonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontzonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontzonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontzonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontzonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontzonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontzonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontzonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontzonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontzonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontzonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontzonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontzonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontzonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontzonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontzonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontzonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontzonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontzonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontzonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontzonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontzinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontzonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontzonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontzonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontzinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontzonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zinken met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontzinken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontzink | gebiedende wijs | ontzinken |
| ontzinke | aanvoegende wijs | ontzinken |
| ontzinkend | onvoltooid deelwoord | ontzinken |
| ontzinkende | woordvorm | ontzinken |
| ontzinkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontzinken |
| ontzonk | verleden tijd | ontzinken |
| ontzonken | voltooid deelwoord | ontzinken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontzinken zijn vastgelegd.