ontwennen
werkwoordBetekenis
- het lichamelijk en/of geestelijk losmaken van datgene waar men aan gewend geraakt is
- een gewenning kwijtraken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van ontwennen
ontwennenhele werkwoord — ontwendeverleden tijd enkelvoud — ontwendenverleden tijd meervoud — ontwendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontwen | ontwende |
| jij | ontwent | ontwende |
| hij, zij, het | ontwent | ontwende |
| wij | ontwennen | ontwenden |
| jullie | ontwennen | ontwenden |
| zij | ontwennen | ontwenden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontwend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontwend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontwend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontwend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontwen | gebiedende wijs |
| ontwend | verleden tijd, deelwoord |
| ontwend te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontwend zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontwende | verleden tijd |
| ontwenne | aanvoegende wijs |
| ontwennend | onvoltooid, deelwoord |
| te ontwennen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontwend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontwennen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontwend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontwend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontwend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontwend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontwend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontwend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontwend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontwend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontwend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontwend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontwend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontwend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontwend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontwend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontwend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontwend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontwend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontwend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontwend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontwend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontwend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontwend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontwend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontwend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontwend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontwennen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontwend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontwennen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van wennen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontwennen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontwen | gebiedende wijs | ontwennen |
| ontwend | voltooid deelwoord | ontwennen |
| ontwende | verleden tijd | ontwennen |
| ontwenne | aanvoegende wijs | ontwennen |
| ontwennend | onvoltooid deelwoord | ontwennen |
| ontwennende | woordvorm | ontwennen |
| ontwent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontwennen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontwennen zijn vastgelegd.