ontweien
werkwoordBetekenis
- vis, gevogelte of wild van de ingewanden ontdoen
Vervoeging van ontweien
ontweienhele werkwoord — ontweideverleden tijd enkelvoud — ontweidenverleden tijd meervoud — ontweidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontwei | ontweide |
| jij | ontweit | ontweide |
| hij, zij, het | ontweit | ontweide |
| wij | ontweien | ontweiden |
| jullie | ontweien | ontweiden |
| zij | ontweien | ontweiden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontweid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontweid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontweid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontweid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontweid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontweid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontweid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontweid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontweid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontweid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontweid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontweid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontweid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontweid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontweid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontweid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontwei | gebiedende wijs |
| ontweid | verleden tijd, deelwoord |
| ontweid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontweid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontweid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontweid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontweid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontweid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontweid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontweid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontweid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontweid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontweide | verleden tijd |
| ontweie | aanvoegende wijs |
| ontweiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontweid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontweien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontweien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontweid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontweid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontweid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontweid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontweid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontweid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontweid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontweid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontweid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontweid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontweid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontweid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontweid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontweid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontweid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontweid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontweid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontweid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontweid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontweid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontweid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontweid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontweid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontweid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontweid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontweid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontweid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontweid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontweid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontweid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontweid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontweid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontweid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontweid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontweid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontweid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontweid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontweid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontweid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontweid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontweien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontweid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontweid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontweid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontweien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van wei met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontweien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontwei | gebiedende wijs | ontweien |
| ontweid | voltooid deelwoord | ontweien |
| ontweide | verleden tijd | ontweien |
| ontweie | aanvoegende wijs | ontweien |
| ontweiend | onvoltooid deelwoord | ontweien |
| ontweiende | woordvorm | ontweien |
| ontweit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontweien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontweien zijn vastgelegd.