Naar de inhoud

ontpolderen

een eerder ingepolderd gebied weer onder water zetten

ontpolderen

werkwoord

Betekenis

  1. een eerder ingepolderd gebied weer onder water zetten

Vervoeging van ontpolderen

ontpolderenhele werkwoord — ontpolderdeverleden tijd enkelvoud — ontpolderdenverleden tijd meervoud — ontpolderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ontpolder ontpolderde
jij ontpoldert ontpolderde
hij, zij, het ontpoldert ontpolderde
wij ontpolderen ontpolderden
jullie ontpolderen ontpolderden
zij ontpolderen ontpolderden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is ontpolderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was ontpolderd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd ontpolderd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt ontpolderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal ontpolderd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal ontpolderd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou ontpolderd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou ontpolderd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had ontpolderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had ontpolderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had ontpolderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden ontpolderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden ontpolderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden ontpolderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt ontpolderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontpolderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ontpolder gebiedende wijs
ontpolderd verleden tijd, deelwoord
ontpolderd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontpolderd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
ontpolderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontpolderd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontpolderd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
ontpolderd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontpolderd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
ontpolderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontpolderd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontpolderd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ontpolderde verleden tijd
ontpoldere aanvoegende wijs
ontpolderend onvoltooid, deelwoord
te hebben ontpolderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te ontpolderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ontpolderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart ontpolderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontpolderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren ontpolderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren ontpolderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was ontpolderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was ontpolderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was ontpolderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt ontpolderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal ontpolderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontpolderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal ontpolderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal ontpolderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal ontpolderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt ontpolderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou ontpolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontpolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontpolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontpolderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou ontpolderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou ontpolderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden ontpolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontpolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontpolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontpolderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden ontpolderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden ontpolderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt ontpolderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontpolderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen ontpolderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontpolderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontpolderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontpolderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen ontpolderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen ontpolderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ontpolderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult ontpolderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontpolderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontpolderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult ontpolderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van polder met het voorvoegsel ont-

Woordfamilie van ontpolderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ontpolder gebiedende wijs ontpolderen
ontpolderd voltooid deelwoord ontpolderen
ontpolderden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ontpolderen
ontpoldere aanvoegende wijs ontpolderen
ontpolderend onvoltooid deelwoord ontpolderen
ontpolderende woordvorm ontpolderen
ontpoldert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon ontpolderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontpolderen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ontpolderen

Wat is de betekenis van ontpolderen?
Ontpolderen is een werkwoord. De betekenis is: een eerder ingepolderd gebied weer onder water zetten.
Hoe vervoeg ik ontpolderen?
Zo vervoeg je ontpolderen zo: de tegenwoordige tijd is ontpolder, de verleden tijd is ontpolderde en het voltooid deelwoord is ontpolderd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ontpolderen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. P 3
  5. O 1
  6. L 3
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ontpolderen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. N 1
  3. T 2
  4. P 4
  5. O 1
  6. L 3
  7. D 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 zonder bonus
  13. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ontpolderen in het kort

ontpolderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van ontpolderen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ontpolderen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ontpolderen: een eerder ingepolderd gebied weer onder water zetten
Deel ontpolderen — standaardnederlands.nl