ontmenselijken
werkwoordBetekenis
- aan menselijkheid verliezen
- beroven van het menselijke
Vervoeging van ontmenselijken
ontmenselijkenhele werkwoord — ontmenselijkteverleden tijd enkelvoud — ontmenselijktenverleden tijd meervoud — ontmenselijktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontmenselijk | ontmenselijkte |
| jij | ontmenselijkt | ontmenselijkte |
| hij, zij, het | ontmenselijkt | ontmenselijkte |
| wij | ontmenselijken | ontmenselijkten |
| jullie | ontmenselijken | ontmenselijkten |
| zij | ontmenselijken | ontmenselijkten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontmenselijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontmenselijkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontmenselijkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontmenselijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontmenselijkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontmenselijkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontmenselijkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontmenselijkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontmenselijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontmenselijk | gebiedende wijs |
| ontmenselijke | aanvoegende wijs |
| ontmenselijkend | onvoltooid, deelwoord |
| ontmenselijkt | verleden tijd, deelwoord |
| ontmenselijkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontmenselijkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontmenselijkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontmenselijkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontmenselijkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontmenselijkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontmenselijkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontmenselijkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontmenselijkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontmenselijkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontmenselijkte | verleden tijd |
| te hebben ontmenselijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontmenselijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontmenselijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontmenselijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontmenselijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ontmenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontmenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontmenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontmenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontmenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontmenselijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ontmenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontmenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontmenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontmenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontmenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontmenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ontmenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontmenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontmenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontmenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontmenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontmenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ontmenselijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontmenselijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ontmenselijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ontmenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontmenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontmenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontmenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontmenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontmenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ontmenselijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult ontmenselijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontmenselijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontmenselijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van menselijk met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontmenselijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontmenselijk | gebiedende wijs | ontmenselijken |
| ontmenselijke | aanvoegende wijs | ontmenselijken |
| ontmenselijkend | onvoltooid deelwoord | ontmenselijken |
| ontmenselijkende | woordvorm | ontmenselijken |
| ontmenselijkt | voltooid deelwoord | ontmenselijken |
| ontmenselijkte | verleden tijd | ontmenselijken |
| ontmenselijkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontmenselijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontmenselijken zijn vastgelegd.