ontmaagden
werkwoordBetekenis
- met iemand voor het eerst seksueel verkeer hebben
Vervoeging van ontmaagden
ontmaagdenhele werkwoord — ontmaagddeverleden tijd enkelvoud — ontmaagddenverleden tijd meervoud — ontmaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontmaagd | ontmaagdde |
| jij | ontmaagdt | ontmaagdde |
| hij, zij, het | ontmaagdt | ontmaagdde |
| wij | ontmaagden | ontmaagdden |
| jullie | ontmaagden | ontmaagdden |
| zij | ontmaagden | ontmaagdden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontmaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontmaagd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontmaagd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontmaagd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontmaagd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontmaagd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontmaagd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontmaagd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontmaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontmaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontmaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontmaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontmaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontmaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontmaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontmaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontmaagd | gebiedende wijs |
| ontmaagd | verleden tijd, deelwoord |
| ontmaagd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontmaagd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontmaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontmaagd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontmaagd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontmaagd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontmaagd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontmaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontmaagd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontmaagd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontmaagdde | verleden tijd |
| ontmaagde | aanvoegende wijs |
| ontmaagdend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontmaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontmaagden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontmaagden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontmaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontmaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontmaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontmaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontmaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontmaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontmaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontmaagd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontmaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontmaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontmaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontmaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontmaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontmaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontmaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontmaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontmaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontmaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontmaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontmaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontmaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontmaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontmaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontmaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontmaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontmaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontmaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontmaagd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontmaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontmaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontmaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontmaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontmaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontmaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontmaagden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontmaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontmaagd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontmaagd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontmaagden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van maagd met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontmaagden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontmaagd | voltooid deelwoord | ontmaagden |
| ontmaagdde | verleden tijd | ontmaagden |
| ontmaagdden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontmaagden |
| ontmaagde | aanvoegende wijs | ontmaagden |
| ontmaagdend | onvoltooid deelwoord | ontmaagden |
| ontmaagdende | woordvorm | ontmaagden |
| ontmaagdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontmaagden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontmaagden zijn vastgelegd.