ontlenen
werkwoordBetekenis
- een element gaan gebruiken van wat elders in gebruik was
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- iets wat je krijgt als gevolg van wat anders
Vervoeging van ontlenen
ontlenenhele werkwoord — ontleendeverleden tijd enkelvoud — ontleendenverleden tijd meervoud — ontleendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontleen | ontleende |
| jij | ontleent | ontleende |
| hij, zij, het | ontleent | ontleende |
| wij | ontlenen | ontleenden |
| jullie | ontlenen | ontleenden |
| zij | ontlenen | ontleenden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontleend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontleend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontleend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontleend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontleend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontleend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontleend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontleend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontleend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontleen | gebiedende wijs |
| ontleend | verleden tijd, deelwoord |
| ontleend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontleend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontleend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontleend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontleend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontleend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontleend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontleend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontleend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontleend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontleende | verleden tijd |
| ontlene | aanvoegende wijs |
| ontlenend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontleend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontlenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontlenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontleend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontleend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontleend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontleend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontleend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontleend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontleend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontleend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontleend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontlenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontleend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van lenen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontlenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontleen | gebiedende wijs | ontlenen |
| ontleend | voltooid deelwoord | ontlenen |
| ontleende | verleden tijd | ontlenen |
| ontleenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontlenen |
| ontleent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontlenen |
| ontlene | aanvoegende wijs | ontlenen |
| ontlenend | onvoltooid deelwoord | ontlenen |
| ontlenende | woordvorm | ontlenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontlenen zijn vastgelegd.