ontgroenen
werkwoordBetekenis
- een zich aandienend nieuw lid onderwerpen aan een serie, vaak vernederende, behandelingen als initiatie in de groep
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van ontgroenen
ontgroenenhele werkwoord — ontgroendeverleden tijd enkelvoud — ontgroendenverleden tijd meervoud — ontgroendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontgroen | ontgroende |
| jij | ontgroent | ontgroende |
| hij, zij, het | ontgroent | ontgroende |
| wij | ontgroenen | ontgroenden |
| jullie | ontgroenen | ontgroenden |
| zij | ontgroenen | ontgroenden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontgroend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontgroend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontgroend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontgroend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontgroend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontgroend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontgroend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontgroend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontgroend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontgroend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontgroend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontgroend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontgroend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontgroend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontgroend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgroend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontgroen | gebiedende wijs |
| ontgroend | verleden tijd, deelwoord |
| ontgroend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontgroend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontgroend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgroend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgroend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgroend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontgroend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontgroend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgroend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgroend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgroende | verleden tijd |
| ontgroene | aanvoegende wijs |
| ontgroenend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontgroend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontgroenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontgroenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontgroend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontgroend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontgroend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontgroend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontgroend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontgroend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontgroend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontgroend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontgroend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgroend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontgroend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontgroend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgroend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontgroend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontgroend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgroend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgroend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgroend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgroend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgroend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontgroend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgroend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgroend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgroend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgroend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgroend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontgroend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontgroend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontgroend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontgroend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontgroend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontgroend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontgroend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontgroend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontgroenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontgroend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontgroend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontgroend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontgroenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van groen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontgroenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontgroen | gebiedende wijs | ontgroenen |
| ontgroend | voltooid deelwoord | ontgroenen |
| ontgroende | verleden tijd | ontgroenen |
| ontgroenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontgroenen |
| ontgroene | aanvoegende wijs | ontgroenen |
| ontgroenend | onvoltooid deelwoord | ontgroenen |
| ontgroenende | woordvorm | ontgroenen |
| ontgroent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontgroenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontgroenen zijn vastgelegd.