ontgoochelen
werkwoord ɔntˈxoxələ(n)Betekenis
- van een illusie beroven
Hoe spreek je ontgoochelen uit?
/ɔntˈxoxələn/
Ontgoochelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| x | acht |
| o | boot |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontgoochelen
ontgoochelenhele werkwoord — ontgoocheldeverleden tijd enkelvoud — ontgoocheldenverleden tijd meervoud — ontgoocheldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontgoochel | ontgoochelde |
| jij | ontgoochelt | ontgoochelde |
| hij, zij, het | ontgoochelt | ontgoochelde |
| wij | ontgoochelen | ontgoochelden |
| jullie | ontgoochelen | ontgoochelden |
| zij | ontgoochelen | ontgoochelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is ontgoocheld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was ontgoocheld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd ontgoocheld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt ontgoocheld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal ontgoocheld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal ontgoocheld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou ontgoocheld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou ontgoocheld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgoocheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontgoochel | gebiedende wijs |
| ontgoocheld | verleden tijd, deelwoord |
| ontgoocheld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontgoocheld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| ontgoocheld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgoocheld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgoocheld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontgoocheld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontgoocheld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| ontgoocheld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgoocheld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgoocheld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontgoochelde | verleden tijd |
| ontgoochele | aanvoegende wijs |
| ontgoochelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben ontgoocheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontgoochelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontgoochelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontgoocheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt ontgoocheld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ontgoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontgoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal ontgoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontgoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontgoocheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontgoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontgoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontgoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontgoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontgoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontgoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontgoocheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontgoocheld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontgoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontgoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontgoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontgoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontgoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontgoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontgoochelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontgoocheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontgoocheld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontgoocheld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontgoochelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van goochelen met het voorvoegsel ont-
Woordfamilie van ontgoochelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontgoochel | gebiedende wijs | ontgoochelen |
| ontgoochelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontgoochelen |
| ontgoochele | aanvoegende wijs | ontgoochelen |
| ontgoochelend | onvoltooid deelwoord | ontgoochelen |
| ontgoochelende | woordvorm | ontgoochelen |
| ontgoochelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontgoochelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontgoochelen zijn vastgelegd.