ontfermen
werkwoord ɔntˈfɛrᵊmə(n)Betekenis
- zich ~ over zich het lot van iemand aantrekken en voor gaan zorgen
Hoe spreek je ontfermen uit?
/ɔntˈfɛrəmən/
Ontfermen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| f | fiets |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ə | de |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontfermen
ontfermenhele werkwoord — ontfermdeverleden tijd enkelvoud — ontfermdenverleden tijd meervoud — ontfermdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontferm | ontfermde |
| jij | ontfermt | ontfermde |
| hij, zij, het | ontfermt | ontfermde |
| wij | ontfermen | ontfermden |
| jullie | ontfermen | ontfermden |
| zij | ontfermen | ontfermden |
Alle 89 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had ontfermd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had ontfermd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had ontfermd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden ontfermd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden ontfermd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden ontfermd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt ontfermd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb ontfermd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontfermd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben ontfermd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben ontfermd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben ontfermd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt ontfermd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontfermd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft ontfermd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontferm | gebiedende wijs |
| ontferm me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontferm u/je , ontfermt je | gebiedende wijs |
| ontfermd | verleden tijd, deelwoord |
| ontfermd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontfermd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontfermde | verleden tijd |
| ontfermde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontfermde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontfermde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontfermde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontfermde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontfermde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| ontfermde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontfermden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontfermden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontfermden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| ontferme | aanvoegende wijs |
| ontferme zich | aanvoegende wijs |
| ontfermen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontfermen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontfermen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontfermend | onvoltooid, deelwoord |
| ontfermt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontfermt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontfermt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| ontfermt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| ontfermt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| ontfermt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| te hebben ontfermd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ontfermen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontfermen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal me ontfermen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal ontfermd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontfermd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontfermd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich ontfermen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je ontfermen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich ontfermd hebben | verleden tijd |
| zich ontfermend | onvoltooid, deelwoord |
| zou ontfermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontfermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontfermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontfermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontfermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontfermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontfermd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je ontfermen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons ontfermen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ontfermd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontfermd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontfermd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontfermen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zich ontfermen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult ontfermd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontfermen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult u ontfermen | tweede persoon |
| zult u ontfermen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u ontfermen | tweede persoon |
| zult zich/u ontfermen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands ontfarmen, in de betekenis van ‘(zich...) uit de nood helpen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265; samenstellend afgeleid van af bw en arm bn , met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van ontfermen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontferm | gebiedende wijs | ontfermen |
| ontfermd | voltooid deelwoord | ontfermen |
| ontfermde | verleden tijd | ontfermen |
| ontfermden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontfermen |
| ontferme | aanvoegende wijs | ontfermen |
| ontfermend | onvoltooid deelwoord | ontfermen |
| ontfermende | woordvorm | ontfermen |
| ontfermt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ontfermen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontfermen zijn vastgelegd.