onduleren
werkwoordBetekenis
- doen golven, golfvormig maken, in wisselstroom veranderen
Vervoeging van onduleren
ondulerenhele werkwoord — onduleerdeverleden tijd enkelvoud — onduleerdenverleden tijd meervoud — geonduleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | onduleer | onduleerde |
| jij | onduleert | onduleerde |
| hij, zij, het | onduleert | onduleerde |
| wij | onduleren | onduleerden |
| jullie | onduleren | onduleerden |
| zij | onduleren | onduleerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geonduleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geonduleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geonduleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geonduleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geonduleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geonduleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geonduleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geonduleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geonduleerd | verleden tijd, deelwoord |
| geonduleerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geonduleerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geonduleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geonduleerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geonduleerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geonduleerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geonduleerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geonduleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geonduleerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geonduleerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geonduleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geonduleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geonduleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geonduleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geonduleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geonduleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geonduleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geonduleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| onduleer | gebiedende wijs |
| onduleerde | verleden tijd |
| ondulere | aanvoegende wijs |
| ondulerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geonduleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te onduleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen onduleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geonduleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geonduleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geonduleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geonduleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geonduleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geonduleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geonduleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geonduleerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal geonduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geonduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geonduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geonduleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geonduleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geonduleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geonduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geonduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geonduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geonduleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geonduleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geonduleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geonduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geonduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geonduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geonduleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geonduleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geonduleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geonduleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geonduleerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geonduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geonduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geonduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geonduleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geonduleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geonduleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen onduleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geonduleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geonduleerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geonduleerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult onduleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘golven’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van onduleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geonduleerd | voltooid deelwoord | onduleren |
| geonduleerde | woordvorm | onduleren |
| onduleer | gebiedende wijs | onduleren |
| onduleerde | verleden tijd | onduleren |
| onduleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | onduleren |
| onduleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | onduleren |
| ondulere | aanvoegende wijs | onduleren |
| ondulerend | onvoltooid deelwoord | onduleren |
| ondulerende | woordvorm | onduleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onduleren zijn vastgelegd.