onderschikken
werkwoordBetekenis
- in een afhankelijke of minder belangrijke positie stellen
- genoegen nemen met een tweede plaats
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van onderschikken
onderschikkenhele werkwoord — onderschikteverleden tijd enkelvoud — onderschiktenverleden tijd meervoud — onderschiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | onderschik | onderschikte |
| jij | onderschikt | onderschikte |
| hij, zij, het | onderschikt | onderschikte |
| wij | onderschikken | onderschikten |
| jullie | onderschikken | onderschikten |
| zij | onderschikken | onderschikten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is onderschikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was onderschikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd onderschikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt onderschikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal onderschikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal onderschikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou onderschikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou onderschikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had onderschikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had onderschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had onderschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden onderschikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden onderschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden onderschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt onderschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onderschikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| onderschik | gebiedende wijs |
| onderschik me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| onderschik u/je , onderschikt je | gebiedende wijs |
| onderschikke | aanvoegende wijs |
| onderschikke zich | aanvoegende wijs |
| onderschikken je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| onderschikken ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| onderschikken zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| onderschikkend | onvoltooid, deelwoord |
| onderschikt | verleden tijd, deelwoord |
| onderschikt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| onderschikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onderschikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| onderschikt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onderschikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onderschikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| onderschikt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| onderschikt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| onderschikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| onderschikt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| onderschikt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| onderschikt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| onderschikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| onderschikt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onderschikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onderschikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| onderschikte | verleden tijd |
| onderschikte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| onderschikte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| onderschikte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| onderschikte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| onderschikte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| onderschikte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| onderschikte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| onderschikten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| onderschikten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| onderschikten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| te hebben onderschikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te onderschikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen onderschikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart onderschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren onderschikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren onderschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren onderschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was onderschikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was onderschikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was onderschikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt onderschikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me onderschikken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal onderschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onderschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal onderschikt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal onderschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onderschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal onderschikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal onderschikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich onderschikken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je onderschikken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich onderschikkend | onvoltooid, deelwoord |
| zich onderschikt hebben | verleden tijd |
| zijn onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt onderschikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou onderschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onderschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onderschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou onderschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onderschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou onderschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onderschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou onderschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou onderschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden onderschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onderschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onderschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onderschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden onderschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden onderschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden onderschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden onderschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden onderschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt onderschikt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onderschikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt onderschikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je onderschikken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen onderschikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen onderschikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van onder bw en schikken ww
Woordfamilie van onderschikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| onderschik | gebiedende wijs | onderschikken |
| onderschikke | aanvoegende wijs | onderschikken |
| onderschikt | voltooid deelwoord | onderschikken |
| onderschikte | verleden tijd | onderschikken |
| onderschikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | onderschikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van onderschikken zijn vastgelegd.