Naar de inhoud

omstoten

iets met een slag om laten vallen

omstoten

werkwoord ˈɔmstotə(n)

Betekenis

  1. iets met een slag om laten vallen

Hoe spreek je omstoten uit?

/ˈɔmstotən/

Omstoten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔmstotən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
m maan
s sok
t tak
o boot
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van omstoten

omstotenhele werkwoord — stiet omverleden tijd enkelvoud — stieten omverleden tijd meervoud — omgestotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stoot om stiet om
jij stoot om stiet om
hij, zij, het stoot om stiet om
wij stoten om stieten om
jullie stoten om stieten om
zij stoten om stieten om
Alle 148 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is omgestoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omgestoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omgestoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omgestoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omgestoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omgestoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omgestoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omgestoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omgestoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omgestoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omgestoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omgestoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgestoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
om te stoten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
om te zullen stoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
om zal stoten bijzin, toekomende tijd
om zou stoten bijzin, voorwaardelijk
om zouden stoten bijzin, voorwaardelijk
om zoudt stoten bijzin, voorwaardelijk
om zullen stoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
om zullen stoten bijzin, toekomende tijd
om zult stoten bijzin, toekomende tijd
omgestoten verleden tijd, deelwoord
omgestoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgestoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgestoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgestoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgestoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgestoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgestoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgestoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgestoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgestoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omstiet bijzin, verleden tijd
omstieten bijzin, verleden tijd
omstoot bijzin, tegenwoordige tijd
omstootte bijzin, verleden tijd
omstootten bijzin, verleden tijd
omstoottet bijzin, verleden tijd
omstotend onvoltooid, deelwoord
stiet om verleden tijd
stoot om gebiedende wijs
stootte om verleden tijd
te hebben omgestoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omstoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart omgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgestoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgestoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omgestoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omgestoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omgestoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd omgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd omgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden omgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden omgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden omgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt omgestoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word omgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden omgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden omgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden omgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt omgestoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal omgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omgestoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgestoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omstoten bijzin, toekomende tijd
zijn omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omgestoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omstoten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) omstoten om zou(dt) stoten bijzin, voorwaardelijk
zouden omgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omstoten bijzin, voorwaardelijk
zoudt omgestoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgestoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omstoten bijzin, voorwaardelijk
zullen omgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgestoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omgestoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgestoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgestoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgestoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omstoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omstoten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van om bw en stoten ww

Woordfamilie van omstoten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
omgestoten voltooid deelwoord omstoten
omstiet subordinate-clause, verleden tijd omstoten
omstieten subordinate-clause, verleden tijd omstoten
omstoot subordinate-clause, tegenwoordige tijd omstoten
omstootte subordinate-clause, verleden tijd omstoten
omstootten subordinate-clause, verleden tijd omstoten
omstote with-subordinate-clause omstoten
omstotend onvoltooid deelwoord omstoten
omstotende woordvorm omstoten
stiet om verleden tijd omstoten
stieten om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omstoten
stoot om gebiedende wijs omstoten
stootte om verleden tijd omstoten
stootten om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omstoten
stote om woordvorm omstoten
stoten om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omstoten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omstoten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over omstoten

Hoe spreek je omstoten uit?
De uitspraak van omstoten is: /ˈɔmstotə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent omstoten?
Omstoten is een werkwoord. Het woord betekent: iets met een slag om laten vallen.
Hoe vervoeg je omstoten?
Je vervoegt omstoten als volgt: het voltooid deelwoord is omgestoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omstoten is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. S 2
  4. T 2
  5. O 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omstoten levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. S 2
  4. T 2
  5. O 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 zonder bonus
  10. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omstoten in het kort

omstoten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van omstoten zijn 92 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort omstoten bij een woordfamilie van 16 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

omstoten: iets met een slag om laten vallen
Deel omstoten — standaardnederlands.nl