Naar de inhoud

omschoppen

met een trap omver doen vallen

omschoppen

werkwoord

Betekenis

  1. met een trap omver doen vallen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van omschoppen

omschoppenhele werkwoord — schopte omverleden tijd enkelvoud — schopten omverleden tijd meervoud — omgeschoptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schop om schopte om
jij schopt om schopte om
hij, zij, het schopt om schopte om
wij schoppen om schopten om
jullie schoppen om schopten om
zij schoppen om schopten om
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is omgeschopt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omgeschopt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omgeschopt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omgeschopt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omgeschopt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omgeschopt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omgeschopt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omgeschopt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omgeschopt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omgeschopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omgeschopt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omgeschopt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omgeschopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omgeschopt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omgeschopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgeschopt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
om te schoppen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
om te zullen schoppen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
om zal schoppen bijzin, toekomende tijd
om zou schoppen bijzin, voorwaardelijk
om zouden schoppen bijzin, voorwaardelijk
om zoudt schoppen bijzin, voorwaardelijk
om zullen schoppen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
om zullen schoppen bijzin, toekomende tijd
om zult schoppen bijzin, toekomende tijd
omgeschopt verleden tijd, deelwoord
omgeschopt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgeschopt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgeschopt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgeschopt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgeschopt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgeschopt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgeschopt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgeschopt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgeschopt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgeschopt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omschop bijzin, tegenwoordige tijd
omschoppend onvoltooid, deelwoord
omschopt bijzin, tegenwoordige tijd
omschopte bijzin, verleden tijd
omschopten bijzin, verleden tijd
schop om gebiedende wijs
schopte om verleden tijd
te hebben omgeschopt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omschoppen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart omgeschopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgeschopt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omgeschopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgeschopt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omgeschopt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omgeschopt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omgeschopt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt omgeschopt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal omgeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omgeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omgeschopt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgeschopt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omschoppen bijzin, toekomende tijd
zijn omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omgeschopt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omgeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgeschopt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgeschopt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgeschopt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omschoppen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) omschoppen om zou(dt) schoppen bijzin, voorwaardelijk
zouden omgeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgeschopt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgeschopt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgeschopt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omschoppen bijzin, voorwaardelijk
zoudt omgeschopt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgeschopt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omschoppen bijzin, voorwaardelijk
zullen omgeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omgeschopt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgeschopt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgeschopt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgeschopt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omschoppen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omschoppen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omschoppen bijzin, toekomende tijd
zult omgeschopt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van om bw en schoppen ww

Woordfamilie van omschoppen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
omgeschopt voltooid deelwoord omschoppen
omgeschopte woordvorm omschoppen
omschop subordinate-clause, tegenwoordige tijd omschoppen
omschoppe with-subordinate-clause omschoppen
omschoppend onvoltooid deelwoord omschoppen
omschoppende woordvorm omschoppen
omschopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd omschoppen
omschopte subordinate-clause, verleden tijd omschoppen
omschopten subordinate-clause, verleden tijd omschoppen
schop om gebiedende wijs omschoppen
schoppe om woordvorm omschoppen
schoppen om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omschoppen
schopt om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omschoppen
schopte om verleden tijd omschoppen
schopten om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omschoppen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omschoppen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over omschoppen

Wat is de betekenis van omschoppen?
Omschoppen is een werkwoord. De betekenis is: met een trap omver doen vallen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik omschoppen?
Zo vervoeg je omschoppen zo: het voltooid deelwoord is omgeschopt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omschoppen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. O 1
  7. P 3
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omschoppen levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 108 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. O 1
  7. P 4
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 26 zonder bonus
  12. 108 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omschoppen in het kort

omschoppen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van omschoppen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort omschoppen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

omschoppen: met een trap omver doen vallen
Deel omschoppen — standaardnederlands.nl