Naar de inhoud

omschieten

door schieten omgooien

omschieten

werkwoord

Betekenis

  1. door schieten omgooien

Vervoeging van omschieten

omschietenhele werkwoord — schoot omverleden tijd enkelvoud — schoten omverleden tijd meervoud — omgeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet om schoot om
jij schiet om schoot om
hij, zij, het schiet om schoot om
wij schieten om schoten om
jullie schieten om schoten om
zij schieten om schoten om
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is omgeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omgeschoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omgeschoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omgeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omgeschoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omgeschoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omgeschoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omgeschoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
om te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
om te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
om zal schieten bijzin, toekomende tijd
om zou schieten bijzin, voorwaardelijk
om zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
om zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
om zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
om zullen schieten bijzin, toekomende tijd
om zult schieten bijzin, toekomende tijd
omgeschoten verleden tijd, deelwoord
omgeschoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgeschoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgeschoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgeschoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgeschoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgeschoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgeschoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgeschoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgeschoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgeschoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omschiet bijzin, tegenwoordige tijd
omschietend onvoltooid, deelwoord
omschoot bijzin, verleden tijd
omschoten bijzin, verleden tijd
schiet om gebiedende wijs
schoot om verleden tijd
te hebben omgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart omgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt omgeschoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal omgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omschieten bijzin, toekomende tijd
zijn omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) omschieten om zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden omgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt omgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgeschoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen omgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgeschoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omschieten bijzin, toekomende tijd
zult omgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult omgeschoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van om en schieten

Woordfamilie van omschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
omgeschoten voltooid deelwoord omschieten
omschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd omschieten
omschiete with-subordinate-clause omschieten
omschietend onvoltooid deelwoord omschieten
omschietende woordvorm omschieten
omschoot subordinate-clause, verleden tijd omschieten
omschoten subordinate-clause, verleden tijd omschieten
schiet om gebiedende wijs omschieten
schiete om woordvorm omschieten
schieten om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omschieten
schoot om verleden tijd omschieten
schoten om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omschieten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over omschieten

Wat is de betekenis van omschieten?
Omschieten is een werkwoord. De betekenis is: door schieten omgooien.
Hoe vervoeg ik omschieten?
Zo vervoeg je omschieten zo: het voltooid deelwoord is omgeschoten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omschieten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. I 1
  7. E 1
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omschieten levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. S 2
  4. C 5
  5. H 4
  6. I 2
  7. E 1
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omschieten in het kort

omschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van omschieten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort omschieten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

omschieten: door schieten omgooien
Deel omschieten — standaardnederlands.nl