omrekenen
werkwoord ˈɔmrekənə(n)Betekenis
- een bedrag in de ene muntsoort uitdrukken in de andere
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je omrekenen uit?
/ˈɔmrekənən/
Omrekenen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van omrekenen
omrekenenhele werkwoord — rekende omverleden tijd enkelvoud — rekenden omverleden tijd meervoud — omgerekendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | reken om | rekende om |
| jij | rekent om | rekende om |
| hij, zij, het | rekent om | rekende om |
| wij | rekenen om | rekenden om |
| jullie | rekenen om | rekenden om |
| zij | rekenen om | rekenden om |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omgerekend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgerekend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgerekend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgerekend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgerekend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgerekend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgerekend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgerekend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgerekend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te rekenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen rekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal rekenen | bijzin, toekomende tijd |
| om zou rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen rekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen rekenen | bijzin, toekomende tijd |
| om zult rekenen | bijzin, toekomende tijd |
| omgerekend | verleden tijd, deelwoord |
| omgerekend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgerekend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgerekend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgerekend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgerekend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgerekend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgerekend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgerekend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgerekend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgerekend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omreken | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omrekende | bijzin, verleden tijd |
| omrekenden | bijzin, verleden tijd |
| omrekenend | onvoltooid, deelwoord |
| omrekent | bijzin, tegenwoordige tijd |
| reken om | gebiedende wijs |
| rekende om | verleden tijd |
| te hebben omgerekend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omrekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omrekenen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omrekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omrekenen om zou(dt) rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omrekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omrekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omrekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omrekenen | bijzin, toekomende tijd |
| zult omgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van om en rekenen
Woordfamilie van omrekenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omgerekend | voltooid deelwoord | omrekenen |
| omgerekende | woordvorm | omrekenen |
| omreken | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omrekenen |
| omrekende | subordinate-clause, verleden tijd | omrekenen |
| omrekenden | subordinate-clause, verleden tijd | omrekenen |
| omrekene | with-subordinate-clause | omrekenen |
| omrekenend | onvoltooid deelwoord | omrekenen |
| omrekenende | woordvorm | omrekenen |
| omrekent | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omrekenen |
| reken om | gebiedende wijs | omrekenen |
| rekende om | verleden tijd | omrekenen |
| rekenden om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omrekenen |
| rekene om | woordvorm | omrekenen |
| rekenen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omrekenen |
| rekent om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omrekenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omrekenen zijn vastgelegd.