Naar de inhoud

omrekenen

een bedrag in de ene muntsoort uitdrukken in de andere

omrekenen

werkwoord ˈɔmrekənə(n)

Betekenis

  1. een bedrag in de ene muntsoort uitdrukken in de andere
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Hoe spreek je omrekenen uit?

/ˈɔmrekənən/

Omrekenen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔmrekənən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
m maan
r rood
e veel
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van omrekenen

omrekenenhele werkwoord — rekende omverleden tijd enkelvoud — rekenden omverleden tijd meervoud — omgerekendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik reken om rekende om
jij rekent om rekende om
hij, zij, het rekent om rekende om
wij rekenen om rekenden om
jullie rekenen om rekenden om
zij rekenen om rekenden om
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is omgerekend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omgerekend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omgerekend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omgerekend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omgerekend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omgerekend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omgerekend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omgerekend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omgerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omgerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omgerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omgerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omgerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omgerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omgerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgerekend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
om te rekenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
om te zullen rekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
om zal rekenen bijzin, toekomende tijd
om zou rekenen bijzin, voorwaardelijk
om zouden rekenen bijzin, voorwaardelijk
om zoudt rekenen bijzin, voorwaardelijk
om zullen rekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
om zullen rekenen bijzin, toekomende tijd
om zult rekenen bijzin, toekomende tijd
omgerekend verleden tijd, deelwoord
omgerekend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgerekend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgerekend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgerekend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgerekend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgerekend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgerekend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgerekend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgerekend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgerekend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omreken bijzin, tegenwoordige tijd
omrekende bijzin, verleden tijd
omrekenden bijzin, verleden tijd
omrekenend onvoltooid, deelwoord
omrekent bijzin, tegenwoordige tijd
reken om gebiedende wijs
rekende om verleden tijd
te hebben omgerekend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omrekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart omgerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omgerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omgerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omgerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omgerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omgerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd omgerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd omgerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden omgerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden omgerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden omgerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt omgerekend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word omgerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden omgerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden omgerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden omgerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omgerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt omgerekend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal omgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omgerekend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgerekend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omrekenen bijzin, toekomende tijd
zijn omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omgerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omrekenen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) omrekenen om zou(dt) rekenen bijzin, voorwaardelijk
zouden omgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omrekenen bijzin, voorwaardelijk
zoudt omgerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgerekend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omrekenen bijzin, voorwaardelijk
zullen omgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omgerekend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgerekend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgerekend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgerekend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omrekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omrekenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omrekenen bijzin, toekomende tijd
zult omgerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van om en rekenen

Woordfamilie van omrekenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
omgerekend voltooid deelwoord omrekenen
omgerekende woordvorm omrekenen
omreken subordinate-clause, tegenwoordige tijd omrekenen
omrekende subordinate-clause, verleden tijd omrekenen
omrekenden subordinate-clause, verleden tijd omrekenen
omrekene with-subordinate-clause omrekenen
omrekenend onvoltooid deelwoord omrekenen
omrekenende woordvorm omrekenen
omrekent subordinate-clause, tegenwoordige tijd omrekenen
reken om gebiedende wijs omrekenen
rekende om verleden tijd omrekenen
rekenden om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omrekenen
rekene om woordvorm omrekenen
rekenen om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omrekenen
rekent om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omrekenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omrekenen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over omrekenen

Hoe spreek ik omrekenen uit?
Zo spreek je omrekenen uit: /ˈɔmrekənə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van omrekenen?
Omrekenen is een werkwoord. De betekenis is: een bedrag in de ene muntsoort uitdrukken in de andere. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik omrekenen?
Zo vervoeg je omrekenen zo: het voltooid deelwoord is omgerekend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omrekenen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. R 2
  4. E 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omrekenen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. R 2
  4. E 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 zonder bonus
  11. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omrekenen in het kort

omrekenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van omrekenen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort omrekenen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

omrekenen: een bedrag in de ene muntsoort uitdrukken in de andere
Deel omrekenen — standaardnederlands.nl