Naar de inhoud

ompraten

door praten van gevoelens doen veranderen

ompraten

werkwoord

Betekenis

  1. door praten van gevoelens doen veranderen

Vervoeging van ompraten

ompratenhele werkwoord — praatte omverleden tijd enkelvoud — praatten omverleden tijd meervoud — omgepraatvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik praat om praatte om
jij praat om praatte om
hij, zij, het praat om praatte om
wij praten om praatten om
jullie praten om praatten om
zij praten om praatten om
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is omgepraat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omgepraat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omgepraat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omgepraat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omgepraat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omgepraat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omgepraat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omgepraat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omgepraat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omgepraat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omgepraat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omgepraat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omgepraat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omgepraat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omgepraat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgepraat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
om te praten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
om te zullen praten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
om zal praten bijzin, toekomende tijd
om zou praten bijzin, voorwaardelijk
om zouden praten bijzin, voorwaardelijk
om zoudt praten bijzin, voorwaardelijk
om zullen praten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
om zullen praten bijzin, toekomende tijd
om zult praten bijzin, toekomende tijd
omgepraat verleden tijd, deelwoord
omgepraat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgepraat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgepraat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgepraat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgepraat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgepraat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgepraat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgepraat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgepraat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgepraat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ompraat bijzin, tegenwoordige tijd
ompraatte bijzin, verleden tijd
ompraatten bijzin, verleden tijd
ompratend onvoltooid, deelwoord
praat om gebiedende wijs
praatte om verleden tijd
te hebben omgepraat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen ompraten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart omgepraat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgepraat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omgepraat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgepraat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omgepraat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omgepraat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omgepraat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omgepraat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd omgepraat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd omgepraat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden omgepraat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden omgepraat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden omgepraat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt omgepraat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word omgepraat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden omgepraat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden omgepraat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden omgepraat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omgepraat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt omgepraat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal omgepraat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgepraat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omgepraat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omgepraat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgepraat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal ompraten bijzin, toekomende tijd
zijn omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omgepraat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omgepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgepraat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgepraat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgepraat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou ompraten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) ompraten om zou(dt) praten bijzin, voorwaardelijk
zouden omgepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgepraat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgepraat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgepraat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden ompraten bijzin, voorwaardelijk
zoudt omgepraat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgepraat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt ompraten bijzin, voorwaardelijk
zullen omgepraat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgepraat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgepraat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgepraat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgepraat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgepraat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen ompraten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen ompraten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen ompraten bijzin, toekomende tijd
zult omgepraat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult omgepraat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van om bw en praten ww

Woordfamilie van ompraten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
omgepraat voltooid deelwoord ompraten
omgeprate woordvorm ompraten
ompraat subordinate-clause, tegenwoordige tijd ompraten
ompraatte subordinate-clause, verleden tijd ompraten
ompraatten subordinate-clause, verleden tijd ompraten
omprate with-subordinate-clause ompraten
ompratend onvoltooid deelwoord ompraten
ompratende woordvorm ompraten
praat om gebiedende wijs ompraten
praatte om verleden tijd ompraten
praatten om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon ompraten
prate om woordvorm ompraten
praten om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon ompraten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ompraten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over ompraten

Wat is de betekenis van ompraten?
Ompraten is een werkwoord. De betekenis is: door praten van gevoelens doen veranderen.
Hoe vervoeg ik ompraten?
Zo vervoeg je ompraten zo: het voltooid deelwoord is omgepraat. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord ompraten is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. P 3
  4. R 2
  5. A 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

ompraten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. P 4
  4. R 2
  5. A 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

ompraten in het kort

ompraten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van ompraten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort ompraten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

ompraten: door praten van gevoelens doen veranderen
Deel ompraten — standaardnederlands.nl