Naar de inhoud

omploegen

door ploegen de bovenste laag aarde van een akker omkeren

omploegen

werkwoord

Betekenis

  1. door ploegen de bovenste laag aarde van een akker omkeren
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van omploegen

omploegenhele werkwoord — ploegde omverleden tijd enkelvoud — ploegden omverleden tijd meervoud — omgeploegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ploeg om ploegde om
jij ploegt om ploegde om
hij, zij, het ploegt om ploegde om
wij ploegen om ploegden om
jullie ploegen om ploegden om
zij ploegen om ploegden om
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is omgeploegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omgeploegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omgeploegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omgeploegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omgeploegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omgeploegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omgeploegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omgeploegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omgeploegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omgeploegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omgeploegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omgeploegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omgeploegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omgeploegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omgeploegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgeploegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
om te ploegen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
om te zullen ploegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
om zal ploegen bijzin, toekomende tijd
om zou ploegen bijzin, voorwaardelijk
om zouden ploegen bijzin, voorwaardelijk
om zoudt ploegen bijzin, voorwaardelijk
om zullen ploegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
om zullen ploegen bijzin, toekomende tijd
om zult ploegen bijzin, toekomende tijd
omgeploegd verleden tijd, deelwoord
omgeploegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgeploegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgeploegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgeploegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgeploegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgeploegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgeploegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgeploegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgeploegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgeploegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omploeg bijzin, tegenwoordige tijd
omploegde bijzin, verleden tijd
omploegden bijzin, verleden tijd
omploegend onvoltooid, deelwoord
omploegt bijzin, tegenwoordige tijd
ploeg om gebiedende wijs
ploegde om verleden tijd
te hebben omgeploegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omploegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart omgeploegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgeploegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omgeploegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omgeploegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omgeploegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omgeploegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omgeploegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt omgeploegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal omgeploegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgeploegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omgeploegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omgeploegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgeploegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omploegen bijzin, toekomende tijd
zijn omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omgeploegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omgeploegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgeploegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgeploegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgeploegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgeploegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgeploegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omploegen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) omploegen om zou(dt) ploegen bijzin, voorwaardelijk
zouden omgeploegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgeploegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgeploegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgeploegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgeploegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgeploegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omploegen bijzin, voorwaardelijk
zoudt omgeploegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omgeploegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omploegen bijzin, voorwaardelijk
zullen omgeploegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgeploegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgeploegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omgeploegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgeploegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgeploegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgeploegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omploegen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omploegen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omploegen bijzin, toekomende tijd
zult omgeploegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van om en ploegen

Woordfamilie van omploegen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
omgeploegd voltooid deelwoord omploegen
omploeg subordinate-clause, tegenwoordige tijd omploegen
omploegde subordinate-clause, verleden tijd omploegen
omploegden subordinate-clause, verleden tijd omploegen
omploege with-subordinate-clause omploegen
omploegend onvoltooid deelwoord omploegen
omploegende woordvorm omploegen
omploegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd omploegen
ploeg om gebiedende wijs omploegen
ploegde om verleden tijd omploegen
ploegden om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omploegen
ploege om woordvorm omploegen
ploegen om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omploegen
ploegt om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omploegen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omploegen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over omploegen

Wat is de betekenis van omploegen?
Omploegen is een werkwoord. De betekenis is: door ploegen de bovenste laag aarde van een akker omkeren. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik omploegen?
Zo vervoeg je omploegen zo: het voltooid deelwoord is omgeploegd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omploegen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. P 3
  4. L 3
  5. O 1
  6. E 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omploegen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. P 4
  4. L 3
  5. O 1
  6. E 1
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omploegen in het kort

omploegen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van omploegen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort omploegen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

omploegen: door ploegen de bovenste laag aarde van een akker omkeren
Deel omploegen — standaardnederlands.nl