omploegen
werkwoordBetekenis
- door ploegen de bovenste laag aarde van een akker omkeren
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van omploegen
omploegenhele werkwoord — ploegde omverleden tijd enkelvoud — ploegden omverleden tijd meervoud — omgeploegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ploeg om | ploegde om |
| jij | ploegt om | ploegde om |
| hij, zij, het | ploegt om | ploegde om |
| wij | ploegen om | ploegden om |
| jullie | ploegen om | ploegden om |
| zij | ploegen om | ploegden om |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omgeploegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgeploegd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgeploegd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgeploegd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgeploegd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgeploegd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgeploegd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgeploegd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgeploegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgeploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgeploegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgeploegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgeploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgeploegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgeploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgeploegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te ploegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen ploegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal ploegen | bijzin, toekomende tijd |
| om zou ploegen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden ploegen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt ploegen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen ploegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen ploegen | bijzin, toekomende tijd |
| om zult ploegen | bijzin, toekomende tijd |
| omgeploegd | verleden tijd, deelwoord |
| omgeploegd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgeploegd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgeploegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgeploegd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgeploegd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgeploegd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgeploegd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgeploegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgeploegd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgeploegd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omploeg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omploegde | bijzin, verleden tijd |
| omploegden | bijzin, verleden tijd |
| omploegend | onvoltooid, deelwoord |
| omploegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ploeg om | gebiedende wijs |
| ploegde om | verleden tijd |
| te hebben omgeploegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omploegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omgeploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgeploegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgeploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgeploegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgeploegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgeploegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgeploegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgeploegd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omgeploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgeploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgeploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgeploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgeploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omploegen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omgeploegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omgeploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgeploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgeploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgeploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgeploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgeploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omploegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omploegen om zou(dt) ploegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgeploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgeploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgeploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgeploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgeploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgeploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omploegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgeploegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgeploegd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omploegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omgeploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgeploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgeploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omgeploegd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgeploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgeploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgeploegd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omploegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omploegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omploegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult omgeploegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van om en ploegen
Woordfamilie van omploegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omgeploegd | voltooid deelwoord | omploegen |
| omploeg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omploegen |
| omploegde | subordinate-clause, verleden tijd | omploegen |
| omploegden | subordinate-clause, verleden tijd | omploegen |
| omploege | with-subordinate-clause | omploegen |
| omploegend | onvoltooid deelwoord | omploegen |
| omploegende | woordvorm | omploegen |
| omploegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omploegen |
| ploeg om | gebiedende wijs | omploegen |
| ploegde om | verleden tijd | omploegen |
| ploegden om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omploegen |
| ploege om | woordvorm | omploegen |
| ploegen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omploegen |
| ploegt om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omploegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omploegen zijn vastgelegd.