Naar de inhoud

omkappen

van een ander kapsel voorzien

omkappen

werkwoord

Betekenis

  1. van een ander kapsel voorzien
  2. met een bijl vellen

Vervoeging van omkappen

omkappenhele werkwoord — kapte omverleden tijd enkelvoud — kapten omverleden tijd meervoud — omgekaptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kap om kapte om
jij kapt om kapte om
hij, zij, het kapt om kapte om
wij kappen om kapten om
jullie kappen om kapten om
zij kappen om kapten om
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is omgekapt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omgekapt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omgekapt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omgekapt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omgekapt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omgekapt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omgekapt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omgekapt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omgekapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omgekapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omgekapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omgekapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omgekapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omgekapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omgekapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omgekapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgekapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omgekapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omgekapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omgekapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omgekapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgekapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omgekapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omgekapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kap om gebiedende wijs
kapte om verleden tijd
om te kappen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
om te zullen kappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
om zal kappen bijzin, toekomende tijd
om zou kappen bijzin, voorwaardelijk
om zouden kappen bijzin, voorwaardelijk
om zoudt kappen bijzin, voorwaardelijk
om zullen kappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
om zullen kappen bijzin, toekomende tijd
om zult kappen bijzin, toekomende tijd
omgekapt verleden tijd, deelwoord
omgekapt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgekapt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omgekapt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgekapt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgekapt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omgekapt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgekapt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omgekapt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgekapt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omgekapt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omkap bijzin, tegenwoordige tijd
omkappend onvoltooid, deelwoord
omkapt bijzin, tegenwoordige tijd
omkapte bijzin, verleden tijd
omkapten bijzin, verleden tijd
te hebben omgekapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omkappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren omgekapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omgekapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omgekapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden omgekapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden omgekapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omgekapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal omgekapt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omgekapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omgekapt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omgekapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omgekapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal omkappen bijzin, toekomende tijd
zijn omgekapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou omgekapt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omgekapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omgekapt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omgekapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omgekapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou omkappen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) omkappen om zou(dt) kappen bijzin, voorwaardelijk
zouden omgekapt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omgekapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omgekapt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgekapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omgekapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden omkappen bijzin, voorwaardelijk
zoudt omgekapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt omkappen bijzin, voorwaardelijk
zullen omgekapt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omgekapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omgekapt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgekapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omgekapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omkappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen omkappen bijzin, toekomende tijd
zult omgekapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult omkappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult omkappen bijzin, toekomende tijd
zult/zal omkappen om zult/zal kappen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van om bw en kappen ww

Woordfamilie van omkappen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kap om gebiedende wijs omkappen
kappe om woordvorm omkappen
kappen om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon omkappen
kapt om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omkappen
kapte om verleden tijd omkappen
kapten om aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omkappen
omgekapt voltooid deelwoord omkappen
omgekapte woordvorm omkappen
omkap subordinate-clause, tegenwoordige tijd omkappen
omkappe with-subordinate-clause omkappen
omkappend onvoltooid deelwoord omkappen
omkappende woordvorm omkappen
omkapt subordinate-clause, tegenwoordige tijd omkappen
omkapte subordinate-clause, verleden tijd omkappen
omkapten subordinate-clause, verleden tijd omkappen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omkappen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over omkappen

Wat betekent omkappen?
Omkappen is een werkwoord. Het woord betekent: van een ander kapsel voorzien. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je omkappen?
Je vervoegt omkappen als volgt: het voltooid deelwoord is omgekapt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omkappen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. K 3
  4. A 1
  5. P 3
  6. P 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omkappen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. K 3
  4. A 1
  5. P 4
  6. P 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omkappen in het kort

omkappen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van omkappen zijn 78 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort omkappen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

omkappen: van een ander kapsel voorzien
Deel omkappen — standaardnederlands.nl