omkappen
werkwoordBetekenis
- van een ander kapsel voorzien
- met een bijl vellen
Vervoeging van omkappen
omkappenhele werkwoord — kapte omverleden tijd enkelvoud — kapten omverleden tijd meervoud — omgekaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kap om | kapte om |
| jij | kapt om | kapte om |
| hij, zij, het | kapt om | kapte om |
| wij | kappen om | kapten om |
| jullie | kappen om | kapten om |
| zij | kappen om | kapten om |
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is omgekapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgekapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgekapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgekapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgekapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgekapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgekapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgekapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgekapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgekapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgekapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgekapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgekapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgekapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgekapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgekapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kap om | gebiedende wijs |
| kapte om | verleden tijd |
| om te kappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen kappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal kappen | bijzin, toekomende tijd |
| om zou kappen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden kappen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt kappen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen kappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen kappen | bijzin, toekomende tijd |
| om zult kappen | bijzin, toekomende tijd |
| omgekapt | verleden tijd, deelwoord |
| omgekapt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgekapt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgekapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgekapt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgekapt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgekapt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgekapt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgekapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgekapt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgekapt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omkap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omkappend | onvoltooid, deelwoord |
| omkapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omkapte | bijzin, verleden tijd |
| omkapten | bijzin, verleden tijd |
| te hebben omgekapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omkappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren omgekapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgekapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgekapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden omgekapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden omgekapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgekapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgekapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgekapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal omkappen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn omgekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou omgekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omgekapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omgekapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou omkappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) omkappen om zou(dt) kappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgekapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgekapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden omkappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt omkappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen omgekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgekapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgekapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omkappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen omkappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult omgekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omkappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult omkappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal omkappen om zult/zal kappen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van om bw en kappen ww
Woordfamilie van omkappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kap om | gebiedende wijs | omkappen |
| kappe om | woordvorm | omkappen |
| kappen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | omkappen |
| kapt om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omkappen |
| kapte om | verleden tijd | omkappen |
| kapten om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omkappen |
| omgekapt | voltooid deelwoord | omkappen |
| omgekapte | woordvorm | omkappen |
| omkap | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omkappen |
| omkappe | with-subordinate-clause | omkappen |
| omkappend | onvoltooid deelwoord | omkappen |
| omkappende | woordvorm | omkappen |
| omkapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | omkappen |
| omkapte | subordinate-clause, verleden tijd | omkappen |
| omkapten | subordinate-clause, verleden tijd | omkappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omkappen zijn vastgelegd.