Naar de inhoud

omcirkelen

iets of iemand fysiek insluiten waardoor onsnapping niet meer mogelijk is

omcirkelen

werkwoord

Betekenis

  1. iets of iemand fysiek insluiten waardoor onsnapping niet meer mogelijk is
  2. met schrijfgerei ergens een cirkel omheen tekenen om een keuze aan te geven
  3. met schrijfgerei ergens een cirkel omheen tekenen om ergens de nadruk op te leggen of om iets aan te wijzen

Vervoeging van omcirkelen

omcirkelenhele werkwoord — omcirkeldeverleden tijd enkelvoud — omcirkeldenverleden tijd meervoud — omcirkeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik omcirkel omcirkelde
jij omcirkelt omcirkelde
hij, zij, het omcirkelt omcirkelde
wij omcirkelen omcirkelden
jullie omcirkelen omcirkelden
zij omcirkelen omcirkelden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is omcirkeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was omcirkeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd omcirkeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt omcirkeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal omcirkeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal omcirkeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou omcirkeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou omcirkeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had omcirkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had omcirkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had omcirkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden omcirkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden omcirkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden omcirkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt omcirkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omcirkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
omcirkel gebiedende wijs
omcirkeld verleden tijd, deelwoord
omcirkeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omcirkeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
omcirkeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omcirkeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
omcirkeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
omcirkeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omcirkeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
omcirkeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omcirkeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
omcirkeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
omcirkelde verleden tijd
omcirkele aanvoegende wijs
omcirkelend onvoltooid, deelwoord
te hebben omcirkeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te omcirkelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen omcirkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart omcirkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omcirkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren omcirkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren omcirkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was omcirkeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was omcirkeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was omcirkeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt omcirkeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal omcirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omcirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal omcirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal omcirkeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal omcirkeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt omcirkeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou omcirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omcirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omcirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omcirkeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou omcirkeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou omcirkeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden omcirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omcirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omcirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omcirkeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden omcirkeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden omcirkeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt omcirkeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omcirkeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen omcirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omcirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omcirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omcirkeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen omcirkeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen omcirkeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen omcirkelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult omcirkeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult omcirkeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult omcirkeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult omcirkelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van om en cirkelen

Woordfamilie van omcirkelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
omcirkel gebiedende wijs omcirkelen
omcirkeld voltooid deelwoord omcirkelen
omcirkelde verleden tijd omcirkelen
omcirkelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon omcirkelen
omcirkele aanvoegende wijs omcirkelen
omcirkelend onvoltooid deelwoord omcirkelen
omcirkelende woordvorm omcirkelen
omcirkelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon omcirkelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omcirkelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over omcirkelen

Wat is de betekenis van omcirkelen?
Omcirkelen is een werkwoord. De betekenis is: iets of iemand fysiek insluiten waardoor onsnapping niet meer mogelijk is. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik omcirkelen?
Zo vervoeg je omcirkelen zo: de tegenwoordige tijd is omcirkel, de verleden tijd is omcirkelde en het voltooid deelwoord is omcirkeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord omcirkelen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. M 3
  3. C 5
  4. I 1
  5. R 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

omcirkelen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. M 3
  3. C 5
  4. I 2
  5. R 2
  6. K 3
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

omcirkelen in het kort

omcirkelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van omcirkelen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort omcirkelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

omcirkelen: iets of iemand fysiek insluiten waardoor onsnapping niet meer mogelijk is
Deel omcirkelen — standaardnederlands.nl