ombrengen
werkwoord ˈɔmbrɛŋə(n)Betekenis
- doden, om het leven brengen
Hoe spreek je ombrengen uit?
/ˈɔmbrɛŋən/
Ombrengen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| m | maan |
| b | bak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ombrengen
ombrengenhele werkwoord — bracht omverleden tijd enkelvoud — brachten omverleden tijd meervoud — omgebrachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | breng om | bracht om |
| jij | brengt om | bracht om |
| hij, zij, het | brengt om | bracht om |
| wij | brengen om | brachten om |
| jullie | brengen om | brachten om |
| zij | brengen om | brachten om |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bracht om | verleden tijd |
| breng om | gebiedende wijs |
| er is omgebracht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omgebracht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omgebracht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omgebracht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omgebracht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omgebracht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omgebracht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omgebracht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omgebracht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omgebracht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgebracht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| om te brengen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| om te zullen brengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| om zal brengen | bijzin, toekomende tijd |
| om zou brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zouden brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zoudt brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| om zullen brengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| om zullen brengen | bijzin, toekomende tijd |
| om zult brengen | bijzin, toekomende tijd |
| ombracht | bijzin, verleden tijd |
| ombrachten | bijzin, verleden tijd |
| ombreng | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ombrengend | onvoltooid, deelwoord |
| ombrengt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| omgebracht | verleden tijd, deelwoord |
| omgebracht te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgebracht te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omgebracht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgebracht te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgebracht te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omgebracht worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgebracht zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omgebracht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgebracht zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omgebracht zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben omgebracht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ombrengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgebracht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omgebracht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omgebracht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omgebracht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omgebracht | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal ombrengen | bijzin, toekomende tijd |
| zal omgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omgebracht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou ombrengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou omgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) ombrengen om zou(dt) brengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden ombrengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden omgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt ombrengen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt omgebracht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omgebracht zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen ombrengen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen ombrengen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen omgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgebracht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omgebracht worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omgebracht zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult ombrengen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘doden’ voor het eerst aangetroffen in 1573
Woordfamilie van ombrengen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bracht om | verleden tijd | ombrengen |
| brachten om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ombrengen |
| breng om | gebiedende wijs | ombrengen |
| brenge om | woordvorm | ombrengen |
| brengen om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | ombrengen |
| brengt om | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ombrengen |
| ombracht | subordinate-clause, verleden tijd | ombrengen |
| ombrachten | subordinate-clause, verleden tijd | ombrengen |
| ombreng | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ombrengen |
| ombrenge | with-subordinate-clause | ombrengen |
| ombrengend | onvoltooid deelwoord | ombrengen |
| ombrengende | woordvorm | ombrengen |
| ombrengt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | ombrengen |
| omgebracht | voltooid deelwoord | ombrengen |
| omgebrachte | woordvorm | ombrengen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ombrengen zijn vastgelegd.