omarmen
werkwoordBetekenis
- de armen om iemand heen slaan
werkwoord
- de armen op om iemand heen slaan als teken van vreugde en vriendschap transitive
- zich volledig in een idee, voorstel enz. kunnen vinden figuratively, transitive
Vervoeging van omarmen
omarmenhele werkwoord — omarmdeverleden tijd enkelvoud — omarmdenverleden tijd meervoud — omarmdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | omarm | omarmde |
| jij | omarmt | omarmde |
| hij, zij, het | omarmt | omarmde |
| wij | omarmen | omarmden |
| jullie | omarmen | omarmden |
| zij | omarmen | omarmden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is omarmd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was omarmd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd omarmd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt omarmd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal omarmd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal omarmd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou omarmd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou omarmd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had omarmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had omarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had omarmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden omarmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden omarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden omarmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt omarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omarmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| omarm | gebiedende wijs |
| omarmd | verleden tijd, deelwoord |
| omarmd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omarmd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| omarmd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omarmd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omarmd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| omarmd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omarmd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| omarmd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omarmd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omarmd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| omarmde | verleden tijd |
| omarme | aanvoegende wijs |
| omarmend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben omarmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te omarmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen omarmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart omarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omarmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren omarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren omarmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was omarmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was omarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was omarmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd omarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd omarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd omarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden omarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden omarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden omarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt omarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word omarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden omarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden omarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden omarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt omarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt omarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal omarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal omarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal omarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal omarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt omarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou omarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou omarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou omarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden omarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden omarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden omarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt omarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen omarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen omarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen omarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen omarmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult omarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult omarmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstellende afleiding van om (bijwoord) en arm (zelfstandig naamwoord) met het achtervoegsel -en dat de onbepaalde wijs van een (werkwoord) vormt
Woordfamilie van omarmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| omarm | gebiedende wijs | omarmen |
| omarmd | voltooid deelwoord | omarmen |
| omarmde | verleden tijd | omarmen |
| omarmden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | omarmen |
| omarme | aanvoegende wijs | omarmen |
| omarmend | onvoltooid deelwoord | omarmen |
| omarmende | woordvorm | omarmen |
| omarmt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | omarmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van omarmen zijn vastgelegd.