Naar de inhoud

objectiveren

ontdoen van subjectief|subjectieve overwegingen

objectiveren

werkwoord

Betekenis

  1. ontdoen van subjectief|subjectieve overwegingen

werkwoord

  1. ontdoen van subjectieve overwegingen transitive

Vervoeging van objectiveren

objectiverenhele werkwoord — objectiveerdeverleden tijd enkelvoud — objectiveerdenverleden tijd meervoud — geobjectiveerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik objectiveer objectiveerde
jij objectiveert objectiveerde
hij, zij, het objectiveert objectiveerde
wij objectiveren objectiveerden
jullie objectiveren objectiveerden
zij objectiveren objectiveerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geobjectiveerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geobjectiveerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geobjectiveerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geobjectiveerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geobjectiveerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geobjectiveerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geobjectiveerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geobjectiveerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geobjectiveerd verleden tijd, deelwoord
geobjectiveerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geobjectiveerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geobjectiveerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geobjectiveerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geobjectiveerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geobjectiveerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geobjectiveerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geobjectiveerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geobjectiveerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geobjectiveerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geobjectiveerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
objectiveer gebiedende wijs
objectiveerde verleden tijd
objectivere aanvoegende wijs
objectiverend onvoltooid, deelwoord
te hebben geobjectiveerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te objectiveren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen objectiveren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geobjectiveerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geobjectiveerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geobjectiveerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geobjectiveerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geobjectiveerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geobjectiveerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geobjectiveerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geobjectiveerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geobjectiveerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geobjectiveerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geobjectiveerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geobjectiveerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geobjectiveerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geobjectiveerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geobjectiveerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geobjectiveerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geobjectiveerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geobjectiveerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geobjectiveerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geobjectiveerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geobjectiveerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geobjectiveerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geobjectiveerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geobjectiveerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geobjectiveerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geobjectiveerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geobjectiveerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geobjectiveerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen objectiveren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geobjectiveerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geobjectiveerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geobjectiveerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult objectiveren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse objectiver (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van objectiveren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geobjectiveerd voltooid deelwoord objectiveren
geobjectiveerde woordvorm objectiveren
objectiveer gebiedende wijs objectiveren
objectiveerde verleden tijd objectiveren
objectiveerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon objectiveren
objectiveert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon objectiveren
objectivere aanvoegende wijs objectiveren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van objectiveren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over objectiveren

Wat betekent objectiveren?
Objectiveren is een werkwoord. Het woord betekent: ontdoen van subjectief|subjectieve overwegingen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je objectiveren?
Je vervoegt objectiveren als volgt: de tegenwoordige tijd is objectiveer, de verleden tijd is objectiveerde en het voltooid deelwoord is geobjectiveerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord objectiveren is 26 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. B 3
  3. J 4
  4. E 1
  5. C 5
  6. T 2
  7. I 1
  8. V 4
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 26 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

objectiveren levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. B 4
  3. J 4
  4. E 1
  5. C 5
  6. T 2
  7. I 2
  8. V 4
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 28 zonder bonus
  14. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

objectiveren in het kort

objectiveren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van objectiveren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort objectiveren bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

objectiveren: ontdoen van subjectief|subjectieve overwegingen
Deel objectiveren — standaardnederlands.nl