obduceren
werkwoordBetekenis
- een lijkschouwing uitvoeren
Vervoeging van obduceren
obducerenhele werkwoord — obduceerdeverleden tijd enkelvoud — obduceerdenverleden tijd meervoud — geobduceerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | obduceer | obduceerde |
| jij | obduceert | obduceerde |
| hij, zij, het | obduceert | obduceerde |
| wij | obduceren | obduceerden |
| jullie | obduceren | obduceerden |
| zij | obduceren | obduceerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geobduceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geobduceerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geobduceerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geobduceerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geobduceerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geobduceerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geobduceerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geobduceerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geobduceerd | verleden tijd, deelwoord |
| geobduceerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geobduceerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geobduceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geobduceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geobduceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geobduceerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geobduceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geobduceerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geobduceerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geobduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geobduceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geobduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geobduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geobduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geobduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geobduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geobduceerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| obduceer | gebiedende wijs |
| obduceerde | verleden tijd |
| obducere | aanvoegende wijs |
| obducerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geobduceerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te obduceren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen obduceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geobduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geobduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geobduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geobduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geobduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geobduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geobduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geobduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geobduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geobduceerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geobduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geobduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geobduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen obduceren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geobduceerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult obduceren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
met het voorvoegsel ob-
Woordfamilie van obduceren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geobduceerd | voltooid deelwoord | obduceren |
| geobduceerde | woordvorm | obduceren |
| obduceer | gebiedende wijs | obduceren |
| obduceerde | verleden tijd | obduceren |
| obduceerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | obduceren |
| obduceert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | obduceren |
| obducere | aanvoegende wijs | obduceren |
| obducerend | onvoltooid deelwoord | obduceren |
| obducerende | woordvorm | obduceren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van obduceren zijn vastgelegd.