nozem
zelfstandig naamwoordBetekenis
- zelfbewuste, stoer geklede, van vetkuif en buikschuiver voorziene branieschopper (uit de jaren vijftig/zestig)
- onwetende snotneus, groentje
- iemand met meer spieren dan hersenen
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand die blijk geeft van provocatief gedrag, ± probleemjongere pejorative
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nozempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| nozempjes | verkleinwoord, meervoud |
| nozems | meervoud |
Herkomst
Nozem is eigenlijk een letterwoord: Nederlandse Onderdaan Zonder Enige Moraal (dit is een taalkundig onjuiste maar buiten de taalkunde vaak gebruikte verklaring van het woord).
Woordfamilie van nozem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nozempje | verkleinwoord | nozem |
| nozempjes | verkleinwoord meervoud | nozem |
| nozems | meervoud | nozem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nozem zijn vastgelegd.