novum
zelfstandig naamwoord /novʏm/Betekenis
- iets nieuws
- voor het eerst in cassatie opgeworpen bedenking
- nieuwe feiten en/of omstandigheden op grond waarvan kan worden teruggekomen op een zaak, in afwijking van het ne bis in idem-beginsel
- het nieuwe element van een vernieuwde rechtsverhouding of verbintenis in het kader van een novatie
Hoe spreek je novum uit?
/novʏm/
Novum bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| o | boot |
| v | vis |
| ʏ | put |
| m | maan |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| nova, novums | meervoud |
| novumpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| novumpjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘nieuw feit’ voor het eerst aangetroffen in 1912.
Woordfamilie van novum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| novumpje | verkleinwoord | novum |
| novumpjes | verkleinwoord meervoud | novum |
| novums | meervoud | novum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van novum zijn vastgelegd.