nodigen
werkwoordBetekenis
- ~ tot iets aantrekkelijk maken
- verzoeken iets bij te wonen
Vervoeging van nodigen
nodigenhele werkwoord — nodigdeverleden tijd enkelvoud — nodigdenverleden tijd meervoud — genodigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nodig | nodigde |
| jij | nodigt | nodigde |
| hij, zij, het | nodigt | nodigde |
| wij | nodigen | nodigden |
| jullie | nodigen | nodigden |
| zij | nodigen | nodigden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is genodigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genodigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genodigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genodigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genodigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genodigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genodigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genodigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genodigd | verleden tijd, deelwoord |
| genodigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genodigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genodigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genodigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genodigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genodigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genodigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genodigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genodigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genodigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genodigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| nodig | gebiedende wijs |
| nodigde | verleden tijd |
| nodige | aanvoegende wijs |
| nodigend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genodigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te nodigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nodigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal genodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou genodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genodigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nodigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genodigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nodigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van nodig met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van nodigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genodigd | voltooid deelwoord | nodigen |
| nodigde | verleden tijd | nodigen |
| nodigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nodigen |
| nodigend | onvoltooid deelwoord | nodigen |
| nodigende | woordvorm | nodigen |
| nodigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nodigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nodigen zijn vastgelegd.