nijpen
werkwoordBetekenis
- in het nauw brengen
- knijpen, samendrukken
Vervoeging van nijpen
nijpenhele werkwoord — neepverleden tijd enkelvoud — nepenverleden tijd meervoud — genepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nijp | neep |
| jij | nijpt | neep |
| hij, zij, het | nijpt | neep |
| wij | nijpen | nepen |
| jullie | nijpen | nepen |
| zij | nijpen | nepen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| genepen | verleden tijd, deelwoord |
| genepen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genepen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| neep | verleden tijd |
| nijp | gebiedende wijs |
| nijpe | aanvoegende wijs |
| nijpend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te nijpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal genepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou genepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘knellen, kwellen’ voor het eerst aangetroffen in 1360
Woordfamilie van nijpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genepen | voltooid deelwoord | nijpen |
| neep | verleden tijd | nijpen |
| nepen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nijpen |
| nijp | gebiedende wijs | nijpen |
| nijpe | aanvoegende wijs | nijpen |
| nijpt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nijpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nijpen zijn vastgelegd.