nijgen
werkwoordBetekenis
- buigend groeten
Vervoeging van nijgen
nijgenhele werkwoord — neegverleden tijd enkelvoud — negenverleden tijd meervoud — genegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | nijg | neeg |
| jij | nijgt | neeg |
| hij, zij, het | nijgt | neeg |
| wij | nijgen | negen |
| jullie | nijgen | negen |
| zij | nijgen | negen |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is genegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was genegen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd genegen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt genegen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal genegen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal genegen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou genegen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou genegen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| genegen | verleden tijd, deelwoord |
| genegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| genegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had genegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had genegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had genegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden genegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden genegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden genegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt genegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb genegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben genegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben genegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben genegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt genegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft genegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| neeg | verleden tijd |
| nijg | gebiedende wijs |
| nijge | aanvoegende wijs |
| nijgend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben genegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te nijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal genegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal genegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal genegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou genegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou genegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou genegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden genegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden genegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden genegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt genegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen genegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen genegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen genegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult genegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nijgen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘buigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
Woordfamilie van nijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| genegen | voltooid deelwoord | nijgen |
| neeg | verleden tijd | nijgen |
| nijgend | onvoltooid deelwoord | nijgen |
| nijgende | woordvorm | nijgen |
| nijgt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | nijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nijgen zijn vastgelegd.