neerstorten
werkwoord ˈnerstɔrtə(n)Betekenis
- het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
Hoe spreek je neerstorten uit?
/ˈnerstɔrtən/
Neerstorten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| n | nek |
| e | veel |
| r | rood |
| s | sok |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van neerstorten
neerstortenhele werkwoord — stortte neerverleden tijd enkelvoud — stortten neerverleden tijd meervoud — neergestortvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stort neer | stortte neer |
| jij | stort neer | stortte neer |
| hij, zij, het | stort neer | stortte neer |
| wij | storten neer | stortten neer |
| jullie | storten neer | stortten neer |
| zij | storten neer | stortten neer |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben neergestort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent neergestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is neergestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is neergestort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| neer te storten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| neer te zullen storten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neer zal storten | bijzin, toekomende tijd |
| neer zou storten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zouden storten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zoudt storten | bijzin, voorwaardelijk |
| neer zullen storten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neer zullen storten | bijzin, toekomende tijd |
| neer zult storten | bijzin, toekomende tijd |
| neergestort | verleden tijd, deelwoord |
| neergestort te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| neergestort zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| neerstort | bijzin, tegenwoordige tijd |
| neerstortend | onvoltooid, deelwoord |
| neerstortte | bijzin, verleden tijd |
| neerstortten | bijzin, verleden tijd |
| stort neer | gebiedende wijs |
| stortte neer | verleden tijd |
| te zijn neergestort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen neerstorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart neergestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergestort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren neergestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren neergestort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was neergestort | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was neergestort | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was neergestort | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal neergestort zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal neergestort zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal neergestort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal neerstorten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn neergestort | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn neergestort | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn neergestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn neergestort | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt neergestort | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou neergestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou neergestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou neergestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou neerstorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) neerstorten neer zou(dt) storten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden neergestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden neergestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden neergestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden neerstorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt neergestort zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt neerstorten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen neergestort zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen neergestort zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen neergestort zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen neerstorten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen neerstorten | bijzin, toekomende tijd |
| zult neergestort zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult neerstorten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult neerstorten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal neerstorten neer zult/zal storten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van neer en storten
Woordfamilie van neerstorten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| neergestort | voltooid deelwoord | neerstorten |
| neerstort | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | neerstorten |
| neerstorte | with-subordinate-clause | neerstorten |
| neerstortend | onvoltooid deelwoord | neerstorten |
| neerstortende | woordvorm | neerstorten |
| neerstortte | subordinate-clause, verleden tijd | neerstorten |
| neerstortten | subordinate-clause, verleden tijd | neerstorten |
| stort neer | gebiedende wijs | neerstorten |
| storte neer | woordvorm | neerstorten |
| storten neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | neerstorten |
| stortte neer | verleden tijd | neerstorten |
| stortten neer | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | neerstorten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van neerstorten zijn vastgelegd.