Naar de inhoud

nederzetten

neerzetten

nederzetten

werkwoord

Betekenis

  1. neerzetten

Vervoeging van nederzetten

nederzettenhele werkwoord — zette nederverleden tijd enkelvoud — zetten nederverleden tijd meervoud — nedergezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet neder zette neder
jij zet neder zette neder
hij, zij, het zet neder zette neder
wij zetten neder zetten neder
jullie zetten neder zetten neder
zij zetten neder zetten neder
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had nedergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had nedergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had nedergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden nedergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden nedergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden nedergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt nedergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nedergezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
neder te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neder te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neder zal zetten bijzin, toekomende tijd
neder zou zetten bijzin, voorwaardelijk
neder zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
neder zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
neder zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neder zullen zetten bijzin, toekomende tijd
neder zult zetten bijzin, toekomende tijd
nedergezet verleden tijd, deelwoord
nedergezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nedergezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
nederzet bijzin, tegenwoordige tijd
nederzette bijzin, verleden tijd
nederzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben nedergezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen nederzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal nederzetten bijzin, toekomende tijd
zet neder gebiedende wijs
zette neder verleden tijd
zou nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou nederzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) nederzetten neder zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden nederzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt nederzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nederzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen nederzetten bijzin, toekomende tijd
zult nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult nederzetten bijzin, toekomende tijd
zult/zal nederzetten neder zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van nederzetten

Vervoeging van nederzetten

nederzettenhele werkwoord — zette nederverleden tijd enkelvoud — zetten nederverleden tijd meervoud — nedergezetvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zet neder zette neder
jij zet neder zette neder
hij, zij, het zet neder zette neder
wij zetten neder zetten neder
jullie zetten neder zetten neder
zij zetten neder zetten neder
Alle 72 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had nedergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had nedergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had nedergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden nedergezet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden nedergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden nedergezet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt nedergezet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nedergezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft nedergezet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
neder te zetten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
neder te zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
neder zal zetten bijzin, toekomende tijd
neder zou zetten bijzin, voorwaardelijk
neder zouden zetten bijzin, voorwaardelijk
neder zoudt zetten bijzin, voorwaardelijk
neder zullen zetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
neder zullen zetten bijzin, toekomende tijd
neder zult zetten bijzin, toekomende tijd
nedergezet verleden tijd, deelwoord
nedergezet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
nedergezet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
nederzet bijzin, tegenwoordige tijd
nederzette bijzin, verleden tijd
nederzettend onvoltooid, deelwoord
te hebben nedergezet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen nederzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal nederzetten bijzin, toekomende tijd
zet neder gebiedende wijs
zette neder verleden tijd
zou nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou nederzetten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) nederzetten neder zou(dt) zetten bijzin, voorwaardelijk
zouden nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden nederzetten bijzin, voorwaardelijk
zoudt nedergezet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt nederzetten bijzin, voorwaardelijk
zullen nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen nederzetten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen nederzetten bijzin, toekomende tijd
zult nedergezet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult nederzetten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult nederzetten bijzin, toekomende tijd
zult/zal nederzetten neder zult/zal zetten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van neder en zetten

Woordfamilie van nederzetten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
nedergezet voltooid deelwoord nederzetten
nederzet subordinate-clause, tegenwoordige tijd nederzetten
nederzette subordinate-clause, verleden tijd nederzetten
nederzettend onvoltooid deelwoord nederzetten
nederzettende woordvorm nederzetten
zet neder gebiedende wijs nederzetten
zette neder verleden tijd nederzetten
zetten neder aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon nederzetten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nederzetten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over nederzetten

Wat is de betekenis van nederzetten?
Nederzetten is een werkwoord. De betekenis is: neerzetten.
Hoe vervoeg ik nederzetten?
Zo vervoeg je nederzetten zo: het voltooid deelwoord is nedergezet. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord nederzetten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. N 1
  2. E 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. R 2
  6. Z 4
  7. E 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

nederzetten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. N 1
  2. E 1
  3. D 2
  4. E 1
  5. R 2
  6. Z 5
  7. E 1
  8. T 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

nederzetten in het kort

nederzetten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van nederzetten staan er 41 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort nederzetten bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

nederzetten: neerzetten
Deel nederzetten — standaardnederlands.nl