nazitten
werkwoordBetekenis
- achtervolgen
Vervoeging van nazitten
nazittenhele werkwoord — zat naverleden tijd enkelvoud — zaten naverleden tijd meervoud — nagezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit na | zat na |
| jij | zit na | zat na |
| hij, zij, het | zit na | zat na |
| wij | zitten na | zaten na |
| jullie | zitten na | zaten na |
| zij | zitten na | zaten na |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is nagezeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was nagezeten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd nagezeten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt nagezeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal nagezeten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal nagezeten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou nagezeten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou nagezeten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had nagezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had nagezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had nagezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden nagezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden nagezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden nagezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt nagezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| na te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| na te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| na zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| na zou zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| na zouden zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| na zoudt zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| na zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| na zullen zitten | bijzin, toekomende tijd |
| na zult zitten | bijzin, toekomende tijd |
| nagezeten | verleden tijd, deelwoord |
| nagezeten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagezeten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| nagezeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezeten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezeten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| nagezeten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagezeten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| nagezeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagezeten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nagezeten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| nazat | bijzin, verleden tijd |
| nazaten | bijzin, verleden tijd |
| nazit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| nazittend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben nagezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen nazitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart nagezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren nagezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren nagezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren nagezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was nagezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was nagezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was nagezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt nagezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal nagezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal nagezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal nagezeten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal nagezeten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal nazitten | bijzin, toekomende tijd |
| zat na | verleden tijd |
| zijn nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt nagezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zit na | gebiedende wijs |
| zou nagezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou nagezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou nagezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou nazitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) nazitten na zou(dt) zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden nagezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nagezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden nagezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden nagezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden nazitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt nagezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nagezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt nazitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen nagezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nagezeten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen nagezeten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen nagezeten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen nazitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen nazitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen nazitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult nagezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult nagezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van na en zitten
Woordfamilie van nazitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| nagezeten | voltooid deelwoord | nazitten |
| nazat | subordinate-clause, verleden tijd | nazitten |
| nazit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | nazitten |
| nazitte | with-subordinate-clause | nazitten |
| nazittend | onvoltooid deelwoord | nazitten |
| nazittende | woordvorm | nazitten |
| zat na | verleden tijd | nazitten |
| zaten na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | nazitten |
| zit na | gebiedende wijs | nazitten |
| zitte na | woordvorm | nazitten |
| zitten na | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | nazitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van nazitten zijn vastgelegd.